Bou reist - Reis mee!

Aftellen in Oz!

Het heuvelachtige ‘Hobbitland' dat de Catlins heet is misschien niet zo indrukwekkend als Milford, maar wel een mooie plek om in een afgelegen hostel met een heleboel natte, overactieve honden en een kudde schapen in de achtertuin een beetje te relaxen. Afgelegen betekent geen internet of mobiel bereik en mooie onverharde wegen, goed voor de nodige onbedoelde slipcursussen. Mooie wegen die leiden naar mooie plekjes, en na met Paul en Anna op het Noordereiland het meest oostelijke puntje van Nieuw-Zeeland gezien te hebben, doen we hier op Slope Point ook het meest zuidelijke puntje van het Nieuw-Zeelandse vasteland aan en nemen we een kijkje bij een stel ‘yellow eyed penguins', waarvan er uiteindelijk maar eentje z'n nest uitkomt.

Na de Catlins, Dunedin en Oamaru, aan de oostkust van het Zuidereiland, ga ik weer alleen verder richting Mount Cook. Wat me aan de westkust van de Nieuw-Zeelandse Alpen niet is gelukt, een 'scenic flight' over de Nieuw-Zeelandse Alpen, lukt bij Mount Cook wel. Een helikoptervlucht met landing op de gletsjer is zo'n beetje een garantie voor grandioos filmmateriaal, en ik kijk er naar uit om de bergketen, die er vanaf de grond al indrukwekkend uitziet, vanuit de lucht te bekijken. Voordat ik richting de berg vertrek maken we nog een stop bij de fenomenale 'Elephant Rocks', in de buurt van Oamaru. Duidelijk eentje in de categorie 'we hebben hier een zooi grote stenen, laten we ze anders een naam geven zodat er toeristen langskomen'. Niet zo interessant dus. Geen probleem, you can't win 'em all. De Mouraki Boulders, die als een stel buitenaardse eieren vlakbij Oamaru in de branding liggen, zitten overigens in dezelfde categorie, maar die zijn een stuk interessanter.

Aan het einde van de middag begin ik aan de weg die naar Mount Cook leidt. Het weer is prachtig en laag voor laag worden de bergwanden voor mijn neus weggepeld, om steeds iets meer van Mount Cook te onthullen. De besneeuwde bergtop steekt wit af tegen de stralend blauwe hemel, en over de bergrug even links van 'Cookie', is een spierwitte wolk gedrapeerd, een beetje zoals de walm van stikstof over het kommetje van een veel te duur gerecht in een sjiek restaurant, of gewoon bij de chinees. U snapt, het was weer een geweldig plaatje. Ik haast me naar het vliegveld, waar ik me meld bij het bedrijf waar ik de vlucht bij geregeld heb. Wat blijkt...ik heb de laatste vlucht van die dag op een half uur gemist en voor de komende dagen is er doffe ellende voorspeld...Die verdomde olifanten!! In afwachting van beter weer verken ik de omgeving van Lake Tekapo, en hoewel de zon zich daar regelmatig laat zien, zie ik in de verte hoe iedere ochtend de wolken boven Mount Cook samengepakt blijven, en blijft het nieuws vanaf het vliegveld dat er niet gevlogen wordt. Na vier dagen besluit ik te vertrekken, omdat het weer voor de dag erna waarschijnlijk weer niet fantastisch zal zijn. Uiteraard krijg ik achteraf te horen dat er die dag geen wolkje te bekennen was...

Mooie omgeving is een beetje een overkoepelend thema voor Nieuw-Zeeland, en wat mij betreft voor een groot deel verantwoordelijk voor wat Nieruw-Zeeland maakt tot wat het is. In de volgende bestemming wordt da tmisschien nog wel het duidelijkst. Kaikoura wordt omringd door besneeuwde bergen, maar ligt ook aan zee, waarmee de omgeving gecombineerd wordt met de aanwezigheid van walvissen, luierende zeehonden en pinguins.

Na een enigszins dramatisch verlopen pubquiz besluiten we op aanraden van Annemarie met een boottocht op zoek te gaan naar Noodle de walvis. Interessant detail is dat er de dagen voor onze komst geen boten het water op zijn gegaan, omdat de zee te ruig was. Blijkbaar is het allemaal weer rustig en kalm op het moment dat wij de boot opstappen. Of niet...Ondanks de waarschuwing voor zeeziekte die we van tevoren krijgen besluiten we toch zonder medicatie op pad te gaan. Iets waar ik al vrij snel spijt van krijg. Ik ben nog nooit zeeziek geweest (al kan ik me nog een Indonesische boot herinneren waarop ik me ook niet zo tof voelde), maar op deze boot kan ik staren naar de horizon wat ik wil, uiteindelijk word ik genadeloos meegezogen in de sneeuwbal van kotsende mensen op de boot. Ik betwijfel of er uiteindelijk iemand gespaard is gebleven. De walvissen hebben er die dag ook niet zo'n zin in, dus tegen de tijd dat er eentje gespot wordt kan ik het mooie beest niet echt optimaal meer waarderen, laat staan fatsoenlijke beelden schieten. Noodle of geen Noodle. Vaste grond onder mijn voeten, en als het kan ff snel!

Nog dagen na Kaikoura ben ik aan het nadeinen, en zelfs de slingerende wegen die me naar Nelson en Abel Tasman National Park leiden brengen iets te levendige herinneringen terug aan de tocht. Na mijn filmstop in Abel Tasman is het tijd om weer terug te gaan naar het Noordereiland en op herhaling te gaan bij een aantal plekken waar ik met Paul en Anna ook al ben geweest. De ferry brengt me door de Marlborough Sound van het Zuidereiland naar het Noordereiland. Mijn ferry heeft twee uur vertraging, wat een streep haalt door het eventuele licht dat ik tijdens mijn late tocht door de Sound met een beetje geluk nog had kunnen hebben. Wat volgt is dus een lange tocht door schijnbaar mooie omgeving, maar dat googlen we nog even.

Het is half twee 's nachts als ik na 4 uur in de auto en 5 uur op een ferry aankom bij mijn hostel in Wellington, op het Noordereiland. De volgende ochtend moet ik er om half acht weer uit om mijn auto te verzetten. Geradbraakt rijd ik rond door Wellington. Het regent, alle hostels waar ik langsga zijn vol, ik kan mijn auto niet kwijt, u snapt, alles, maar dan ook ALLES zit tegen. Ongeveer. Het is in ieder geval genoeg om na een bezoek aan Te Papa museum de brui aan Wellington te geven en lekker door te rijden naar het noorden. Palmerston North staat niet bekend om zijn toeristische kwaliteiten of omdat er zo veel gebeurt, maar juist daarom is het voor mij even de goede plek om wat uurtjes werk te pakken.

Terug op het Noordereiland dus! Het enige 'nieuwe' wat ik nog wil doen is de Tongariro Crossing. Een wandeling van 20 kilometer en door velen beschouwd als de mooiste 1-daagse wandeling van Nieuw-Zeeland. Het is min of meer noodzaak deze wandeling met mooi weer te doen, omdat het anders te koud is en omdat er niet bijster veel te zien is bij slecht weer. Ik trek dus een paar dagen uit om te wachten op goed weer, en aangezien Suzanne de crossing ook nog niet gedaan heeft, haakt zij weer aan, nadat de wegen na Kaikoura weer waren gescheiden. We houden de weerberichten goed in de gaten, maar zoals mij ook in Australië al duidelijk is geworden; meteorologen hier...geen helden. Tijdens onze eerste dagen in National Park (het plaatsje heet bij een compleet gebrek aan inspiratie ook echt 'National Park') hebben we aardig guur weer en valt er zelfs sneeuw! Bijna surreëel, en het maakt dat Mount Tongariro de volgende dag een mooie, witte hoed heeft. De voorspelling voor de dag waarop we willen lopen zijn weer niet best, met 'gale force winds'. Alleen ervaren hikers worden mee de berg op genomen, wordt ons verteld. We besluiten onze wandeling dus een dagje door te schuiven. Wachtende dagen worden gesleten in de indoor klimhal, waar een kleine opdonder met twee handen op haar rug mij ff voordoet wat mij niet lukt, bij Ron en Karen op de koffie en gefascineerd door de multi-functioneel inzetbare spuitbus canola-olie, een wonderlijk fenomeen. Aan het eind van de dag druppelen langzaamaan de eerste wandelaars weer het hostel binnen. Met verdacht bruine koppen...Het weer was fantastisch, er werd in T-shirts gelopen en menigeen heeft spijt dat er niet gesmeerd is. Ook de vraag of zij 'ervaren hikers' zijn wordt proestend weggelachen.

Het weerbericht voor de volgende dag is beter, maar uiteraard brengt de ochtend veel grijs en een vieze miezer. Lichtelijk ontstemd vertrekken we richting het startpunt van de crossing, waar we aansluiten in de lange rij toeristen die de tocht die dag ook gaan ondernemen. Hoe hoger we komen en hoe later het wordt, hoe meer het grijze wolkendek boven ons openbreekt en hoe meer de zon zich laat zien. Dan verandert de crossing ineens in een soort poppenkast met gordijntjes, waarbij je het ene moment geniet van fantastische uitzichten en het andere moment om je oren geslagen wordt met ijskoude wind. We banjeren door de sneeuw, over de schijnbaar eindeloze 'devil's staircase', langs de 'emerald lakes' en 'red crater' en over een enorm maanlandschap van een vlakte bovenop de berg, wat eigenlijk de krater is van de vulkaan waar we op lopen. Uiteindelijk kost het ons zo'n 7 uur om aan de andere kant van de crossing te komen, maar het is de moeite meer dan waard. En na 7 uur lopen is een bubbelbad ook erg prettig om naar terug te komen!

We maken ons klaar om te vertrekken richting Taupo. We pakken onze spullen, ik pak mijn autosleutel en...mijn autosleutel...waar-is-mijn-autosleutel...Ik had hem vanochtend nog...hij zat in mijn tas...en ik dacht nog...die moet ik niet meenemen naar de crossing...ik wilde hem ergens neerleggen...en toen...kwam die vent aanrennen om te zeggen dat de..bus..er..was...shit. De sleutel is nergens te bekennen, het verhuurbedrijf heeft geen reservesleutel (hoe RAAR is dat!?) en ik moet een slotenmaker uit Taupo laten komen om Barry open te breken en een nieuwe sleutel voor me te bouwen. Juistem. Op de financiële implicaties van dit geintje ga ik maar niet in. Ik was in ieder geval blij dat ik de slotenmaker een plezier kon doen..."I don't get out much. It's a nice drive!". Ik houd mijn hart vast voor het moment dat het verhuurbedrijf erachter komt dat de nieuwe sleutel geen afstandsbediening heeft en de put in mijn voorruit ontdekt...Wegen in Nieuw-Zeeland. 'Seal repairs', je zou willen dat het echt wat met zeehonden te maken zou hebben.

Na Raglan neem ik in Hamilton weer afscheid van Suzanne, die naar Thailand vertrekt. Ik vervolg mijn weg naar Rotorua om te filmen, en woon in een 'Maori Village' een show bij, die een beetje een idee geeft van de Maori cultuur. Het is prachtig om te zien hoe trots de Maori op hun cultuur zijn. Ik maak van de dichtbij de imponerende 'Haka' mee en geniet van de traditionele 'hangi' maaltijd, waarbij het voedsel onder de grond door middel van hete stenen en stoom wordt bereid.

Na Rotorua kom ik voor de derde keer aan in Auckland. Vanuit hier vlieg ik naar Queenstown voor mijn laatste dagen in Nieuw-Zeeland. Ik bagger Barry uit, ga op bezoek bij wat oude bekenden uit de Uenuku Lodge en maak me op voor een vroege vlucht.

In Queenstown kan alles, maar ik doe er niet zo veel. Ik ben een beetje uitgeregeld, uitgebeld, en neem wat tijd om te werken, te niksen, Queenstown zelf te filmen en wat frisbeegolf te spelen. Dat wordt hier redelijk serieus aangepakt. Frisbees voor de lange afstanden, korte afstanden, effect-frisbees en putters, net echt! Met schoudertasjes volgepakt met frisbees lopen de pro's de 18 holes af. Een pro ben ik niet, maar het gaat me gelukkig een stuk beter af dan de 8 holes in vier uur die ik van twee maanden eerder nog in mijn achterhoofd heb. Queenstown zelf is een geweldig mooi dorp. Toeristisch als de pest, maar gelegen als een droom. De omliggende Remarkables zijn opmerkelijke (p.i.) bergen en vormen een prachtige achtergrond voor een wederom Oostenrijks aandoend dorp. Ik neem de gondel naar de top van een berg, vanwaar ik in schitterend weer uitkijk over Queenstown, terwijl de paragliders over me heen vliegen, de rodelaars onder me door schieten, de bungy jumpers van 'the ledge' af springen, beneden in het dal de jetboats over het water scheren en de helikopters in de lucht weer de paragliders ontwijken. Misschien een rare plek om het rustig aan te doen, maar zoals we dat zeggen in Zoetje: 'Ik vind 't wel bèèèst'.

Twee keer knipperen en ik ben weer terug in Australië. Net alsof Nieuw-Zeeland helemaal niet gebeurd is. Dat is het gelukkig wel, want wat een, voor de laatste keer, fenomenaal mooi land. Ik vlieg terug op Melbourne, waar ik nog niet geweest ben. Het wordt een bliksembezoek, want Sydney wacht. Het is ook wel weer fijn om terug te zijn in Sydney. Daar kan ik nog even thuiskomen in mijn stulpje op Bondi. Het is een klein beetje als thuiskomen, met veel bekende gezichten en gelijk weer een drukke werkweek. Helaas moet ik na een week alweer het huis uit, omdat iedereen vertrekt en de lease van het huis afloopt. Met tegenzin bereid ik me voor op nog een paar weken hostelleven in Sydney, wat toch ff wat anders is dan het hebben van je eigen plekje.

Bepakt en bezakt kom ik aan op mijn werk, dit keer met echt alles wat ik bij me heb. Op mijn werk kom ik erachter dat de val die mijn gitaar gemaakt heeft toen ik hem bij het uit de bus stappen op de grond liet stuiteren een grotere tol heeft geeist dan ik vermoedde. Een pijnlijke 'NEEEEE!' galmt door het kantoor, wanneer ik voel hoe de kop van mijn gitaar als een gebroken ledemaat beweegt ten opzichte van de rest van het apparaat. Mijn reiscompagnon, die me nu al ruim een jaar bijstaat, is gebroken. De sentimentele waarde die blijkbaar aan dit beestje zit slaat me gelijk om m'n oren, en stille tranen rollen over mijn wangen, terwijl ik met de kop in de ene hand en de rest van de gitaar in de andere, op mijn knieen bij mijn gitaar zit. (in de betere Hollywoodproductie is dit het punt waarop de camera uitzoomt, ik mijn blik naar de hemel werp en noch een laatste kermende 'NOOOOOO!' uitkraam. Maar dat doe ik niet) Een bezoek aan de gitaarrepareerman biedt geen hoop. Alsof het om een suicidale, bejaarde kater gaat word ik naar huis gestuurd met de mededeling dat ik hem zelf nog wel op kan lappen als er emotionele waarde aan zit, maar dat hij z'n handen er niet aan wil branden (daarnaast was reparatie drie keer duurder geweest dan het ding zelf). Google en youtube zijn me meer genadig, met uitgebreide instructies en filmpjes over hoe ik dit klusje aan moet pakken. Gelukkig, ik ben niet de enige die dit overkomt (al is het technisch gezien wel al de tweede keer). Beter dan ooit; hij zal herrijzen!

Over een maand verloopt mijn Australische visum. Tot die tijd zal alles in het teken staan van hard werken en het plannen van de volgende etappe van de reis, en hopelijk een bijzonder 'pièce de résistance'. Het zal raar zijn om Australie weer te verlaten, maar de reis gaat weer terug naar Azie, waar ik sowieso al naar uitkijk, en dan wordt het ook nog eens India, een land dat binnen de reiswereld een bijzondere positie inneemt. Heftig, intens en niet altijd makkelijk, maar ook mooi en indrukwekkend. Precies wat ik nodig heb!

Tot in India!

8 reacties | reageer

Picture Perfect Nieuw-Zeeland!

Zo'n 65 vulkanen vormen de ondergrond waarop Auckland gebouwd is. Dat maakt niet alleen dat iedere wandeling die je in deze stad onderneemt een klim bevat, maar ook dat ik me niet al te druk maak wanneer er op de dag van de aardbeving in Japan ineens een verschrokken Italiaanse de trap afstormt met de mededeling dat er een tsunami onze kant opkomt. Het hostel waar ik verblijf, de Uenuku Lodge, ligt ver genoeg van enige vorm van open water, en ook nog eens in het hoger gelegen Ponsonby. Knappe tsunami die hier mijn voeten nat komt maken. De volgende ochtend wordt er op een enkele plek in Nieuw-Zeeland een verhoging van het waterpeil waargenomen. Met hoogstens een centimeter of 20 gaat iedereen die middag weer rustig verder met waar ze mee bezig waren.

Na het vertrek van Paul en Anna is het weer tijd om het filmen op te pakken. Zonder vervoer kom ik natuurlijk sowieso niet erg ver, dus dat is de eerste missie. Nou ben ik nooit echt ingegaan op het hele regelverhaal, waarbij ik zelf de telefoon pak en probeer tours, accommodatie etc te regelen. Dat ga ik ook nu niet doen. Feit is dat ik er niet voor gemaakt ben en het regelen van in dit geval vervoer, tja, gewoon ff duurt...Ik heb wel gemerkt hoe mooi het is om in Nieuw-Zeeland eigen vervoer te hebben, te kunnen stoppen wanneer je wilt stoppen en als het moet in iedere bocht een nieuwe foto te maken. Ik stel mezelf dus tot doel een auto bij elkaar te lullen. Prettige wedstrijd!

Afgezien van de vertraging die ik hierdoor oploop, is het ook gewoon erg gezellig in de Uenuku Lodge. Ik maak kennis met Britse Jess, die me met haar auto graag wat van Auckland wil laten zien. Samen met Carina uit Ecuador en Henry en Dominika uit Tsjechië rijden we naar het mooie Piha Beach en met Carina ga ik met de ferry naar Waiheke Island, een van de vele eilanden in de omgeving van Auckland. Verder wordt er gelukkig nog steeds muziek gemaakt! Dit keer met ondersteuning van de mooie harmonietjes van Alice uit Engeland, die een prachtige stem heeft en ook met een gitaar overweg kan.

Ondertussen heb ik eindelijk de 'balls ge-growd' om de telefoon op te pakken en een autoverhuurbedrijf te bellen, nadat ik mijn eerste poging via de mail bij Jucy Rentals compleet genegeerd heb zien worden. Het is zowaar meteen raak. Met een kleine kanttekening...Ik bevind me nog in het hoogseizoen, wat betekent dat er in Auckland maar bar weinig auto's te vinden zijn. Ik krijg het verzoek mijn reis in het zuiden te beginnen en dan weer mijn weg terug naar boven te maken. Hoe onlogisch dat routetechnisch voor mij is blijkt wellicht uit het feit dat ik al een vliegticket heb om vanaf Queenstown, in het zuiden, weer terug te vliegen naar Melbourne in Australië. Dat betekent dus vanaf Auckland naar Christchurch vliegen, langs Queenstown rijden, terugrijden naar het noorden en vanaf Auckland weer terugvliegen naar Queenstown...Sounds like a plan!

Op 15 maart, zo'n maand na de aardbeving in Christchurch, kom ik aan op het vliegveld. Ik heb niet echt een idee wat ik me bij 'post-quake' Christchurch moet voorstellen. Ik weet dat het centrum van de stad in de eerste periode na de beving afgesloten is geweest en dat bijvoorbeeld de YHA-hostels lange tijd gesloten zijn geweest. Ik meld me bij het autoverhuurbedrijf en krijg onderweg van het vliegveld naar het kantoor al te horen dat er af en toe nog wel naschokken te voelen zijn en dat met name in de zwaarst getroffen gebieden de ravage nog duidelijk te zien is. Een administratieve dwaling zorgt dat het lieve kleine autootje dat op mij stond te wachten helaas toch niet beschikbaar is, en dus volgt de kennismaking met Barry. Barry is overigens de naam die ik aan alles geef dat om wat voor reden dan ook snel om een naam vraagt. Dit keer is Barry geen ondefinieerbare, lichtgevende bal met flubbers of uitgezeten bank in Sydney. Barry is de donkerblauwe Subaru Legacy stationwagon 4wd, die mij de komende weken door Nieuw-Zeeland gaat vervoeren. Barry is een beest.

Ik besluit Barry iets beter te leren kennen gedurende een sight seeing tour door Christchurch, om als volleerd ramptoerist met eigen ogen te aanschouwen hoe het met de stad gesteld is. En dat is niet best. Christchurch is een ravage. Nog steeds. In de hele stad zijn op willekeurige plekken grote puinhopen te vinden. Voornamelijk gebouwen die zijn opgetrokken uit baksteen hebben het moeten ontgelden. De verkeerssituatie is als een oneindige bouwput in het centrum van Amsterdam en het centrum van de stad is nog steeds afgesloten. Het voelt een beetje alsof er een waas over de stad hangt. Alsof iedereen heel hard probeert het gewone leven weer op te pakken, maar eigenlijk ook niet weet waar ze moeten beginnen.

Het centrum van de stad is dus nog afgesloten en wordt bewaakt door militairen en politie. Ik ben op zoek naar een slaapplaats en bel met een hostel dat binnen het afgezette gebied blijkt te liggen. Foley Towers is redelijk ongeschonden uit de beving gekomen en mag zowaar gasten ontvangen, als er sprake is van een reservering. Die is snel gemaakt, en geëscorteerd door de eigenaresse van het hostel rijd ik langs de militairen de binnenstad in. Alsof je oorlogsgebied binnenrijdt...Een groot deel van de gebouwen waar ik langsrijd is ernstig beschadigd of compleet ingestort. Overal rijden politiewagens en legertrucks rond, en ik krijg van de eigenaresse te horen dat de tanks die door de stad reden pas een week eerder zijn vertrokken. Alle gebouwen, ruïnes en puinhopen zijn gemarkeerd om aan te geven dat ze gecontroleerd zijn en wat er mee moet gebeuren. Onbevoegden mogen niet vrij door het centrum bewegen, en ook om het gebied in en uit te komen heb ik een schriftelijke bevestiging van mijn verblijf in het hostel nodig. Het zal nog een behoorlijke tijd duren voordat Christchurch weer een beetje op de been is.

Zoals het hoort heb ik geen idee waar de weg na Christchurch heen leidt. Het antwoord op die vraag komt wanneer blijkt dat Joe & Michelle ook in Nieuw-Zeeland zijn. (flashback naar Indonesië: samen met Simone, Chris en Anja langs Bromo en Bali, Gili's. Good Times!) Het lijkt me ontzettend leuk om hen weer te zien, en aangezien zij aan de westkust zitten en ik aan de oostkust, wordt de oversteek van oost naar west ingezet, om uiteindelijk bij de Franz Joseph gletsjer uit te komen. Ook Suzanne, die ik met Paul en Anna op het Noordereiland heb ontmoet, komt richting Franz Joseph. Via Arthur's Pass steek ik het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland over en word ik verwelkomd door iets waar ik van Simone en Ramon genoeg over gehoord heb: regen en mist! Net op het moment dat ik me heb neergelegd bij het feit dat dat waarschijnlijk wel vaker mijn zicht op mooie uitzichten zal belemmeren, breekt het wolkendek boven me open en begint het zonnestralen te regenen. (eens kijken hoeveel Acda en de Munnik verwijzingen ik in dit verhaal kwijt kan...) De mist verdwijnt als mist voor de zon (jaja!) en voor me verschijnt ineens het fenomenale uitzicht over de pas. Dát bedoelt iedereen dus...

De weg vervolgt richting 'sfeerspons' Greymouth, waar ik wel verblijf in een van de beste hostels waar ik ooit geweest ben en waar ik zeker nog een keer langsga om af te kijken voordat ik in Thailand m'n eigen hostel open (Hè? Hoe? Wat? Glapje.)

Het mooie weer dat ik in Arthur's Pass voorgeschoteld kreeg volgt me naar de gletsjer, dus ik besluit alvast een kijkje te gaan nemen bij de ijsformatie, voordat Joe & Michelle de volgende dag aankomen. Het is algemeen bekend dat gletsjers er in de loop van de tijd niet langer op zijn geworden. Ook de Franz Joseph is niet meer wat ie geweest is, maar toch is het grappig te bedenken dat deze gletsjer de afgelopen 25 jaar juist in lengte is toegenomen. Dat de ijsklomp voorlopig zijn oude omvang nog niet terug zal hebben blijkt wel uit de enorme vlakte waarover ik richting het begin van de gletsjer loop, en die ooit ook bedekt werd met een grote laag ijs. Samen met de met watervallen versierde bergwanden die de vlakte en de gletsjer flankeren maakt het tot een imponerend verschijnsel.

Om de gletsjer op te komen moet je een gids hebben. Die heb ik niet, dus voor mij eindigt de weg zo'n 50 meter voor het begin van de gletsjer, waar een vriendelijke, uit kunststof opgetrokken Kiwi me een halt toeroept en me herinnert aan een stel Japanners die toch verder gingen en werden bedolven onder een pak ijs ter grote van een stadsbus. De vriendelijke Kiwi wordt al snel omgedoopt tot Barry, en Barry leek op foto's angstig echt.

Ik loop nietsvermoedend over straat in 'down town' Franz Joseph, wanneer ik achter mij ineens een 'Bou!' hoor. De hereniging met Joe en Michelle is een feit! Het is ontzettend leuk om de twee stralende Ieren weer te zien. Ook confronterend, als Michelle me vraagt of ik weet hoe lang het geleden is dat we elkaar voor het laatste zagen. Ik probeer de tijd aan elkaar te rijgen, maar voor ik uitgerekend ben heeft Michelle me al verteld dat het 9 maanden geleden is. 9 maanden...op de een of andere manier voelt het alsof dat helemaal niet zou moeten kunnen. Alsof dat veel te lang is om elkaar, binnen dezelfde reis, niet te zien. Maar het moment dat ik afscheid van ze nam in Kuta is toch echt 9 maanden geleden. Zo'n 3 dagen voor mijn 'year mark' is dat ineens een soort reality check. Eentje waar ik niet veel mee kan, dus afgezien van een enkele weemoedige gedachte in de trant van 'gut, gut, wat gaat de tijd toch snel...', laat ik het verder maar voor wat het is.

Als een stel oude van dagen halen we herinneringen over Indonesië op en vertellen we elkaar wat er daarna nog allemaal gebeurd is. Joe en Michelle hebben een paar maanden in Melbourne gewoond, en het is grappig om te horen hoe hun kennismaking met Australië was en opvallend hoe erg hun verhaal qua beleving op het mijne lijkt. Ondertussen is Suzanne ook aangeschoven, en wordt genadeloos meegezogen in onze 'trip down memory lane'.

De volgende dag gaan we met z'n vieren nog een keer naar de gletsjer, maar omdat Joe en Michelle naar het noorden gaan en ik op weg ben naar beneden is het alweer tijd om afscheid te nemen. Samen met Suzanne, die rondtuft in 'Glen', rij ik via de Fox gletsjer (die verdacht veel op de andere lijkt), via de Haast Pass naar Wanaka. Een ongelofelijk mooie weg en het begin van een aaneenschakeling van 'wow...-momenten'. De weg die langs Lake Wanaka loopt is bezaaid met plaatjes die regelrecht op een ansichtkaart kunnen en precies zijn waar je bij Nieuw-Zeeland aan denkt; een schitterend meer, het water slechts bewogen door de vermoeide adem van een lange dag, als door een liefdevolle moeder omhelsd door armen van groene heuvels vol met grazende, witte stippen, waar machtige, besneeuwde bergtoppen achter vandaan opstijgen, gekust door het licht van de warme namiddagzon...Nou gaat noch deze Bouquetreeksbeschrijving (10x woordwaarde), noch een foto rechtdoen aan de werkelijke schoonheid van het plaatje, dus neem maar gewoon van me aan dat het erg mooi was!

Dorpjes als Franz Joseph en Wanaka hebben bijna iets bekends...en toch ook weer niet. Met een soort Oostenrijkse charme, ingeklemd tussen de bergen of aan een meer, of allebei. Frisse berglucht, maar ook de warmte van het goede weer dat me blijft achtervolgen. Ook het volgende dorp, Te Anau, is gelegen aan een meer en omgeven door bergen. Te Anau is ook de toegangspoort tot de beroemde Milford Sound. Stiekem helemaal geen 'sound', maar een fjord. Het zij ze vergeven, die Kiwi's. Ik heb een boottocht en een kajaktour bij elkaar gekletst, dus na alweer een fantastische, twee uur durende rit richting Milford, gaan Suzanne en ik aan boord van de 'Sinbad', die ons twee uur lang mee het water op neemt. Lord of The Rings, Jurassic Park, noem maar op, je snapt ineens waar ze hun inspiratie vandaan gehaald moeten hebben. Mijn favoriete verschijnsel zijn de watervallen die zich onderin de door gletsjers in een U-vorm uitgeslepen bergruggen een weg naar beneden vallen, alsof er aan de andere kant langzaam een badkuip leegloopt.

Aan het einde van de boottocht begint het langzaam te regenen. Die avond wordt de regen alleen nog maar heviger, en we houden ons hart vast voor de volgende morgen, wanneer we om 08.00u op appèl moeten om Milford Sound per kajak te ontdekken. De volgende ochtend blijken de weergoden ons toch weer goedgezind. Warm ingepakt met ontzettend modieuze streepjespanty en minstens net zo mooie muts gaan we het water op, om van dichtbij te bekijken wat we de dag daarvoor al vanaf de boot hebben gezien. Zo dichtbij het water en in een klein bootje wordt de omgeving zelfs nog indrukwekkender. De zon laat zich regelmatig zien, maar samen met de laatste ochtendmist en de wolken die rond de bergtoppen hangen heeft Milford Sound bijna iets magisch. Het water is wat woelig die morgen, wat het kajakken niet altijd even eenvoudig maakt, maar een bammetje midden op het water van Milford Sound terwijl je begluurd wordt door een stel slaperige zeehonden maakt het allemaal meer dan waard.

In het zuiden van het Zuidereiland dus, maar we zijn nog niet helemaal beneden! In het kader van de leesbaarheid laat ik het hier even bij. Rest me nu nog jullie mee te laten genieten van de prachtige klanken van Miss Alice Rose Foster, waarvan sommigen op Facebook al een voorproefje hebben gezien. Enjoy!

5 reacties | reageer

Nieuw jaar, vers land!

Sprak hij in april... 

Gekrabbelde steekwoorden, nieuwe Facebookvrienden en foto's brengen regelmatig herinneringen terug van momenten die jaren geleden lijken, maar eigenlijk pas een paar maanden oud zijn. De jaargrens is inmiddels alsof het niets is gepasseerd, maar afgezien van dat besef hoef ik mezelf niet vaak af te vragen waar die tijd gebleven is. Als ik af en toe stil sta bij de afgelopen tijd en alles wat er gebeurd is, verwonder ik me er eerder over dat het 'maar een jaar is'. Traditiegetrouw zou ik nou moeten beginnen met een korte anekdote over mijn huidige lokatie, maar aangezien het een aardige tijd geleden is dat er een verhaal uit een vers land (of uberhaupt een fatsoenlijke update) verscheen, zal ik de boel lekker overzichtelijk houden en beginnen waar ik geeindigd was; terug in Sydney!

Zodra ik mijn trip langs de Australische oostkust heb afgerond en weer terug ben in Sydney breng ik rapport uit bij de baas en wordt het plan voor de volgende maanden gesmeed. Het bedrijf waarvoor ik werk staat op het punt een aantal nieuwe websites en campagnes te lanceren, wat betekent dat er voor mij genoeg werk is en dat er misschien ook nog wel een nieuwe trip aan zit te komen. Het idee is dat ik de halve week bezig ben met het monteren van het filmmateriaal van de oostkust en de andere helft met de nieuwe websites.  In de praktijk draait het erop uit dat ik voornamelijk bezig ben met de nieuwe campagnes en het monteren van de filmpjes schiet er een beetje bij in.

Het kantoor waar ik werk ligt pal aan Bondi Beach, dus ik zoek een plekje in de buurt en neem intrek in een 8-persoons dorm in Noah's Backpackers. Dankzij een foutje van de dame achter de receptie beland ik in eerste instantie in een 'female dorm', waar ik niet echt problemen mee heb, maar waar niet alle dames het mee eens zijn. Een verhuizing naar een etage hoger brengt me in '202'. Ik word verwelkomd door een Serviër, twee Ieren, een Engelsman, een Zweedse en een Amerikaans stel en het is gelijk een gezellige boel. De aanwezigheid van een gitaar bij de Engelsman zorgt voor een instant broederschap en geïnspireerd door een kinderboekje dat door iemand op het strand is gevonden besluiten we het leven van Rupsje Nooitgenoeg op muziek te zetten. Al snel vullen de klanken van ons 'Adenow' de plakkerige gangen van Noah's, waar ze onder het mom van 'Wat kan ons het rotten, we zitten toch iedere avond vol! Mwoaha!' naar het lijkt in 1999 gestopt zijn met algemeen onderhoud. 

Iedere ochtend loop ik vanaf het hostel, aan het randje van Bondi Beach, langs het strand naar het kantoor waar ik werk. En zoals ik thuis op een vroege morgen wel eens breed glimlachend naar school fietste, met de opkomende zon in je gezicht en in de wetenschap dat het weer een mooie dag ging worden, zo'n zwoele zomerdag, afgesloten met een potje knikkeren of zo'n kraakheldere winterdag, hopend op 'ijsvrij', zo loop ik nu iedere ochtend met een vers bakkie koffie over Bondi's Campbell Parade, terwijl ik de zon op zie komen achter de huizen van Noord-Bondi en de zwemmende, rennende, fitnessende of roes uitslapende vroege vogels op het strand Bondi bewonderend toelach. 

Want hoewel Bondi Beach door velen wordt beschouwd als het meest overgewaardeerde strand ter wereld, gebeurt er altijd wat en heeft het een unieke sfeer. Een sfeer die je vooral leert kennen als je wat langer blijf hangen. Zo goed als ik me mijn eerste afkeurende blik op Bondi Beach nog kan herinneren, toen ik in juli in mijn lange broek en jas uit de bus stapte en meteen door de gure wind om mijn oren geslagen werd en schamper lachte om de dwazen die toch nog probeerden in het zand een straaltje zon te vangen. Zo goed herinner ik me ook hoe ik in de tussentijd van Bondi heb genoten en hoe jammer ik het vond dat die periode afgelopen was. 

Bondi is nep, ja. Bondi is zien en gezien worden, ja. Bondi is zo'n plek waar men vindt dat alles kan, of moet kunnen, en waar iedereen die er komt gewoon even doet alsof ouder worden niet bestaat. Een soort 'Never Never land'. Een bubbel in Sydney waar je gewoon kunt doen alsof tijd niet bestaat en je dus op je veertigste nog best kunt doen alsof je 16 bent, zelfs als dat toch echt niet meer zo is. Het went, en het voelt als snel als je eigen plekje.


Het kantoor waar ik werk zit vast aan een kunstgalerij. Niet zomaar eentje. 'Uge', zoals hij in Bondi bekend staat, begon tien jaar geleden foto's te maken van Bondi, zoals Bondi is. Via de mail stuurde hij die naar vrienden, en tien jaar later heeft hij zijn eigen kunstgalerij, eigen boek en dagelijkse nieuwsbrief met foto's van Bondi. Dus http://www.aquabumps.com, voor een vleugje Bondi.

Ondertussen is de Nederlandse Tessa, die ik in Maleisie ontmoet heb, ook ingetrokken in Noah's, en zij staat op het punt te verhuizen naar een appartement in Dover Heights, een wijk ten noorden van Bondi. Zij trekt daar samen met de Britse Kirsty in en vraagt  of ik en Scott, de Brit uit 202, bij hen in zouden willen trekken, om de huurlasten wat te verlagen. Na een kijkje te hebben genomen in het appartement is de keuze snel gemaakt. 

En dan 'woon' je ineens in Sydney...Al snel voelt het als een thuisje, met John boven het bed, een uitzicht dat nooit gaat vervelen, een bovenbuurvrouw die alle muziek van de onderburen prachtig vindt en een onderbuurvrouw die ons de ene na de andere officiële waarschuwing aansmeert en het gezang een stuk minder kan waarderen. Ons huisje op Eastern Avenue is een kort ritje met de bus richting Bondi Beach en het werk, maar regelmatig wint de ochtendwandeling het van bus, gevolgd door een duik in de zee voordat de werkdag begonnen wordt. In de werkende maanden die volgen ontstaat er zowaar een gebruikelijke '9 to 5' routine, waarbij ik me regelmatig bedenk dat ik daarvoor natuurlijk niet aan de andere kant van de wereld hoef te zijn. Het zijn de ochtendduiken in de zee, de worstjes op de bbq tijdens de lunch, de tot kantoor omgebouwde garage gevuld met creatievelingen, surfplanken en yogaballen, het door de Arbo goedgekeurde RSI-bestrijdingsprogramma dat bestaat uit een voetbal en een muur en niet te vergeten een baas die uit eigen ervaring heel goed weet wat ik aan het doen ben, die maken dat ik me ook besef dat die vlieger gelukkig niet opgaat. 

De decembermaand breekt aan. Eigenlijk nooit een van mijn favoriete maanden. En dan stiekem ook weer wel. Ik ben benieuwd wat deze maand aan de andere kant van de wereld precies inhoudt. Of kerst hier hetzelfde betekent en of ik met Oud en Nieuw voor de Locomotion van Sydney zal belanden in een poging om de kaarten te verkopen, omdat iedereen het toch maar voor gezien houdt...:) 

Met twee Hollanders en twee Britten in huis begint de maand in ieder geval goed. De Hollanders leggen op dat er Sinterklaas gevierd wordt en de Britten gaan er graag in mee, enthousiast gemaakt door onze verhalen over een Kerstman-achtige verschijning met zwarte slaven die kinderen slaan en in een zak meenemen naar Spanje. Ook het vooruitzicht op chocola en pepernoten helpt. Een ietwat alternatieve Sint is het gevolg, maar Sint niettemin, compleet met achterlijk lange gedichten, chocoladeletters een zelfgemaakte pepernoten. 

Op het werk is ondertussen het idee van een christmas party geboren. De ideeën vliegen over tafel en ik merk dat ik wat moeite heb met registreren van alle poedelbadjes, parasollen, strandthema's en andere tropische elementen die dit kerstfeestje gaat krijgen. Uiteindelijk wordt het een geslaagd feestje, met ondersteuning van heerlijke stukken vlees van iButcher (voor al uw online vleesbehoeften!) en de plaatselijke bar, die het feest voorziet van een enorme hoeveelheid drank, die ervoor zorgt dat we tot diep in 2011 de dagen nog af kunnen sluiten met een koude Corona of een ander drankje.

Mijn opvattingen rond kerst aan de andere kant van de wereld hebben jullie inmiddels al meegekregen. Het was wat onwennig, zeg maar. Niettemin was het ook gewoon een bijzondere en gezellige tijd. Waarbij de prioriteiten voor sommigen wellicht wat anders liggen, de insteek misschien net iets anders, maar het uiteindelijke idee nog steeds hetzelfde is. En uiteindelijk leidt het ook aan de andere kant van de wereld gewoon naar het eind van het jaar. Een moment waar ik naar heb uitgekeken en een behoorlijke big deal van heb gemaakt, door het tot een goed voornemen te maken om op dat specifieke moment uit te kijken op die specifieke bak met staal.

En daar stond ik! Met nieuwe vrienden, waarvan de meesten misschien wel hetzelfde goede voornemen hadden als ik, of in ieder geval bij de vorige jaarwisseling op een andere plek stonden dan op dat moment, uitkijkend op de Harbour Bridge van Sydney. Uiteindelijk loopt het uit op een ongegeneerde 'drunken bender' en zie ik de volgende ochtend op mijn camera dat het vuurwerk echt heel mooi was. Ik waag een poging de eerste zonsopkomst van 2011 mee te maken vanuit mijn hangmat op ons balkon, maar val 5 minuten te vroeg in slaap. Een memorabele avond.

Tijd om plannen te maken voor 2011! Een van de spannende dingen die op het programma staat is de nieuwe campagne die door het bedrijf waar ik voor werk gelanceerd wordt (en inmiddels is). In 6x6x6 op Reis gaan 6 koppels een maand lang op reis naar 6 verschillende continenten, om daar 6 verschillende opdrachten uit te voeren voor het goede doel. Die opdrachten worden gefilmd, en degene die de opdrachten uiteindelijk het best, of het leukst, heeft uitgevoerd en vastgelegd, ontvangt het grootste bedrag voor het goede doel waar ze voor strijden. Aardig op mijn lijf geschreven, en aangezien ik zelf aan de campagne meewerk kom ik natuurlijk niet dichter bij het vuur te zitten. Praktisch bezwaar is dat ik aan de andere kant van de aardkloot zit, en de ideale partner in crime ergens in Midden-Amerika rondhangt. Toch wordt er geboomd over het filmpje dat als sollicitatie moet dienen. De nodige droomscenario's passeren de revue, al is nog helemaal niet duidelijk of het, voornamelijk logistiek, allemaal zou kunnen. De campagne begint in Nederland, wat betekent dat wij daar ook zouden moeten zijn, wat al snel voor beiden een probleem blijkt. Dit samen met andere bezwaren wordt er besloten de deelname te laten varen. Wat erg jammer is, maar in beide gevallen betekent het dat waar we momenteel mee bezig zijn of wat er nog in de pijp zit, minstens net zo interessant is.

Inmiddels zijn de koppels gekozen en druk bezig om in Nederland het nodige geld te verzamelen voor de goede doelen waar ze voor strijden. Het mooie van deze campagne is dat je je eigen schuldgevoel af kunt kopen door slechts een druk op de knop! Voor iedere volger van de campagne, op Facebook of anderzijds, doneren de sponsoren namelijk 30 cent aan de pot voor de goede doelen. Neem dus ff een kijkje op http://www.6x6x6opreis.nl/ en ‘Like' er op los!

Geen 6x6x6 op Reis voor mij dus. Wat dan wel...De 'to do list' wordt gaandeweg korter en korter, maar af en toe worden er ook nog dingen toegevoegd. In de Oceanië-hoek staat Nieuw-Zeeland nog op het programma, en na alle verhalen van mijn zus en van andere reizigers ben ik heel erg benieuwd naar wat Nieuw-Zeeland te bieden heeft. Wat Nieuw-Zeeland ook leuk maakt is dat ik daar hopelijk weer eens wat bekende gezichten ga zien. De familie Scholte komt namelijk naar Nieuw-Zeeland voor een bruiloft, dus ik hoop samen met oom, tante, neef en nichten mijn eerste kiwi te spotten. Helaas zijn de Scholtes (ook wel 'sjoltiez', in de Nieuw-Zeelandsche volksmond) ervaren rotten in het vak als het op reizen door NZ aankomt, dus gaan ze gescheiden op pad en sluit ik aan bij Paul en Anna, neef en wederhelft.
 
Het plan is om in Nieuw-Zeeland eerst met de familie op pad te gaan en daarna al filmend beide eilanden over te trekken, net als langs de Australische oostkust. Ik neem afscheid van Bondi en vlieg van Sydney naar Auckland. Het is toch wel weer raar om na een tijdje 'vaste grond' onder de voeten te hebben gehad weer op een vliegveld te staan. Eigenlijk is het altijd een goed teken. Weer een nieuw land, nieuwe dingen, nieuwe mensen, het voelt goed!
 
Een kleine miscommunicatie maakt dat ik inmiddels precies weet uit hoeveel betonnen ringen de Sky Tower van Auckland is opgebouwd, maar uiteindelijk is de hereniging met de fam daar! Ruim 6 maanden nadat mijn zusje vertrok uit Bali val ik onder de toren in slow-motion, volledig in tranen en met strijkorkest op de achtergrond in de armen van Tine, Anna en Paul. En dan is het toch ook ineens alsof het de normaalste zaak van de wereld is. De hereniging wordt beklonken met een drankje op de 'Quay' van Auckland en iced Margherita's en quesadillas bij de Mexicaan.
 
De volgende dag scheiden de wegen alweer. Martine gaat haar eigen weg en ik stap bij Paul en Anna in de camper. Met z'n 3-tjes reizen in de camper is geen probleem, maar voor de nachten wordt er een tentje geregeld. Gewoon, een tentje. Een zogenaamde 'sleep-out' tent. Meer dan een dak boven je hoofd heb je immers niet nodig, toch? Voor de zekerheid kopen we ook nog een mooi blauw zeil, voor de regenachtige Nieuw-Zeelandse nachten, waarvan we weten dat ze gaan komen en waar dit tentje vast niet voor gemaakt is.
 
Omdat het voor Paul al zijn 4e bezoek aan Nieuw-Zeeland is, hebben hij en Anna ervoor gekozen om dit keer de nog onbekende oostkust van het Noordereiland te verkennen. Ook voor mij een prima idee, want alle geijkte toeristenplekken moet ik later toch nog langs om te filmen.
Vanaf Auckland wordt er koers gezet naar het oosten, waar de Coromandels de eerste bestemming zijn. In het geriatrische Coromandel Town zetten we met behulp van de jukebox als enige bezoekers samen met de Nederlandse Suzanne de plaatselijke pub op z'n kop, terwijl we hopen dat de legende klopt dat de andere kant van de Coromandels inspirerender zijn. Dat klopt gelukkig, blijkt als we met een netje free range avocado's aankomen in Ha Hei.
 
Ondertussen is gebleken dat er meer komt kijken bij de aanschaf van een 'eenvoudig tentje' dan je in eerste instantie zou denken. Lengte, bijvoorbeeld. De trots over het tempo waarmee 'de blauwe bubbel' wordt opgezet verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer blijkt dat een 'sleep-out tent' duidelijk niet is berekend op Hollanders. In de praktijk betekent dat dat mijn hoofd aan de ene kant in het zeil steekt en mijn voeten aan de andere kant uit de tent steken, waar ze gelukkig nog wel tegen eventuele regen worden beschut door het blauwe zeil. Een kleine tegenvaller.
 
Die tegenvaller mag de pret van Ha Hei niet drukken, waar Martine met de Ierse Kurt 'de Flirt' en ook een aantal andere vrinden van de 'Sjoltiez' weer even bij ons aansluiten en de tijd gesleten wordt in strijd met de golven op het mooie strand van Ha Hei en met pogingen om ons roze helikoptertje van Sunny's vliegklaar te krijgen. ("Trimmen! Je mot trimmen!")

Dan begint de tocht langs de oostkust, en als snel wordt duidelijk dat de verhalen over Nieuw-Zeeland waar zijn. Uiteraard rijd je van punt naar punt, maar het daadwerkelijke ‘rijden' is al een fantastische attractie op zich. Met name langs de kust valt er na iedere bocht, in iedere baai, over iedere bergtop en na iedere verlaten dorpskern wel wat te bewonderen. Eindeloze vergezichten over het heuvelachtige landschap, eigenwijze eenzame bomen die zichzelf bovenop een bergrug of op een verlaten klif hebben geplant, enorme vlaktes bezaaid met keien, die getuigen van iets wat ooit waarschijnlijk zee was...je valt van de ene rustgevende ansichtkaart in de andere. We maken onze weg van gehucht naar gehucht, toasten in Tairua op een aankomend huwelijk (gefeliciteerd nichie!), twee neven worden al MacGyver-divend gruwelijk gemangeld door huizen van golven in Onemana en vechten alsof het om de controller van de Nintendo gaat om de controle over de radio (sorry Anna...), we chillen in watervalletjes in de Coromandel, besteden 4 uur op een golfbaan (waar we 8 holes weten te voltooien...), ontdekken dat mini-golf met Anna nog best gevaarlijk kan zijn (vooral voor haarzelf), crashen in Rotorua een Aziatische karaokeparty met een weergaloze versie van Westlife's Uptown Girl en belanden, nadat we heel voorzichtig dwars door een kudde koeien gereden zijn, in onze tocht oostwaarts uiteindelijk op de East Cape, het oostelijkste puntje van het vasteland van Nieuw-Zeeland en het eerste stuk land op aarde dat iedere ochtend het licht van een nieuwe dag ziet.

Hemelsbreed zit er zo'n 1000 km tussen, maar ook waar wij ons aan de oostkust bevinden is de aardbeving in Christchurch op de ochtend na de bewuste dag het eerste onderwerp van gesprek. Van de vuilnisman van de camping waar we staan krijgen we voor we goed en wel wakker zijn alle details over de hevige aardbeving die Christchurch heeft getroffen. Iets wat door onze afgelegen locatie en gebrekkig mobiel bereik compleet aan ons voorbij is gegaan. De dag ervoor vergapen we ons bij iedere bocht nog aan het schitterende uitzicht over White Island en de daarop gelegen vulkaan, die continu gesierd wordt door een grote pluim rook die uit de vulkaan omhoog dwarrelt en zich als ware het een grote invoegstrook in de lucht samenvoegt met het bovengelegen wolkendek. Gekscherend wordt er opgemerkt dat het wel lijkt alsof er een dampende stroom lava langs de berg omlaag druipt, wanneer ook de pluim rook uit de vulkaan 'uit de bocht vliegt', en het wolkendek doorbreekt. Dagelijkse kost, krijgen we de volgende dag van de vuilnisman te horen. Het heeft niets te maken met de aardbeving, maar is op z'n minst een reminder voor de onrustige omgeving waarin we ons bevinden, met geisers, natuurlijke hotsprings en vulkanisch landschap als voornaamste attracties.

The Great Walks van Nieuw-Zeeland is een serie van 9 wandeltochten die zijn aangemerkt als de mooiste trektochten van Nieuw-Zeeland. Vaak duren deze tochten een aantal dagen, maar het is ook mogelijk om een deel van de tocht te doen. De eerste Great Walk die Paul, Anna en ik op onze trip tegenkomen, is eigenlijk niet eens een ‘walk'. Meer een ‘paddle'. De Wanganui Journey is een kajaktocht van 145 kilometer over de Wanganui River aan de westkust van het Noordereiland, waar je 5 dagen over doet. Nou zijn we met z'n drieën enorme peddelfanaten, maar aangezien ik na anderhalf uur de blaren al op mijn handen heb staan, besluiten we de Wanganui River een dag lang te trotseren. In Taumarunui komen we terecht bij de kajakverhuur van Ron en Karen en worden overladen door een overdosis Nieuw-Zeelandse vriendelijkheid. Al twee weken lang brengen we met z'n drieën aan de hand van een wetenschappelijk systeem de koffiekwaliteit van Nieuw-Zeeland in kaart, maar met de gigantische berg schuim bovenop de kapoetsjinow die ze van Karen krijgt weet zelfs Anna even geen raad.

De volgende dag zit het weer gelukkig mee, en we peddelen op ons gemakkie de Wanganui River af. Omdat we dus te lui zijn om de hele ‘journey' af te leggen en ook geen zin hebben om stroomopwaarts te peddelen, zullen we op een andere manier weer terug moeten vinden naar het startpunt. Dat wordt een jetboat! Oftewel met 6 man in een boot die met krankzinnige snelheid over een rivier raast waar jij net met je kajakje nog de bodem van raakte! Alleen dat al is genoeg om mij in een lachstuip te krijgen, maar nog leuker wordt het als de hand van onze bestuurder Ron de lucht in gaat en een cirkelende beweging maakt, ons waarschuwend voor de naderende ‘spin'. Even links, scherp rechts, of andersom, een flinke gil van Anna op links en binnen 2 seconden zijn we 360 graden verder. Ik heb een half uur lang een grote grijns op mijn gezicht en Ron trommelt de hele familie op om plaats te nemen in de boot en samen met Paul en Anna nog wat rondjes te doen, terwijl ik vanaf de kant film. Doe mij zo'n boot!

De avond in Taumarunui brengt nog een aardige onthulling. Terwijl we met z'n drietjes wat over koetjes en kalfjes keuvelen, valt het onderwerp klussen. En dan blijkt ineens dat Paul en ik allebei wel eens een douche hebben gemaakt! Toeval bestaat niet...

De laatste stop voordat we weer terugkomen in Auckland en mijn rondje met Paul en Anna erop zit, is het relaxte surfdorpje Raglan, waar ook daadwerkelijk gesurft wordt! Of in ieder geval een dappere poging wordt ondernomen...Een ingeving van Anna doet ons in het pikdonker in de zee belanden, wat in het donker sowieso al enerverend is, maar wat ineens een hele andere dimensie krijgt als blijkt dat het water...licht geeft? Alsof het radioactieve water dat momenteel uit de Fukushima stroomt zijn weg naar Raglan heeft gevonden levert iedere beweging van het water een geelgroene gloed op. Alsof we ons hele leven in Tsjernobyl hebben gewoond en voor het eerst water zien, zo gefascineerd zijn we door het fenomeen, beter bekend als 'fluorescence'.

Na Raglan zit mijn tijd met Paul en Anna erop. Ik heb ontzettend van mijn 'vakantie' genoten en ben blij dat ik met deze twee schatten meekon en dat ze het met me uitgehouden hebben :) Afscheid nemen is weer klote, maar het went. Nu is het weer tijd om dingen op de rit te krijgen. Ik moet weten wat ik ga filmen, hoe ik daar ga komen en nog veel meer. Kortom, ik moet weer aan het regelen! Iets waar ik niet bepaald naar uitkijk, maar ik kijk wel weer uit naar het Zuidereiland en al het moois dat Nieuw-Zeeland nog te bieden heeft. Inmiddels weet ik wat een ontzaggelijk mooi land Nieuw-Zeeland is, want het is alweer een maand geleden dat Paul en Anna vertrokken. Wat er in de tussentijd gebeurd is plemp ik in een volgend verhaal. Gewoon, om jullie een plezier te doen, en zodat het niet weer een half jaar hoeft te duren voordat jullie iets van me horen...:)

Tot snel!

8 reacties | reageer

Merry Christmas!

Ik weet het, ik weet het, het gras is altijd groener bij de buren, maar toch! Berichten van een witte kerst, sneeuwellende, gevloek op de NS, laat op het werk en andere misere; het klinkt me in deze tijd als muziek in de oren. Ik wil dik ingepakt, al fluitend een stukje fietsen door de witte wereld. Ik wil in de sneeuw tennissen tegen het VVR. Ik wil meevloeken! Ik wil aanschuiven bij de Scholtes voor de traditionele vis en gezelligheid en morgenochtend wakker worden met de geur van verse, warme broodjes bij moes thuis! Ik wil de televisie aandoen en me groen en geel ergeren aan de cast van GTST en de rest van dat RTL-tuig (want dat IS het!), die me in een overdaad aan quasi-gezelligheid een fijne kerst toewensen! John Williams die bibberend van de kou, de vers gevallen sneeuw van zich afschuddend het ideale kersthuis binnenvlucht, warm onthaald met een kop warme chocolademelk uit handen van Irene Moors. Marco Borsato die op de achtergrond de piek op de boom zet! Ik wil ze!

Maar nee. Ik vlucht niet naar binnen om te schuilen voor de kou, maar voor 30 graden en een gat in de ozonlaag. Ik geniet van de airco in het plaatselijke winkelcentrum, waar de klanken van Mariah Carey me tegemoet komen en een dik ingepakte kerstman in een slee op de foto gaat met kinderen, om me eraan te herinneren dat het ook hier toch echt kerst is. Als ik de televisie aandoe is het de cast van Neighbours die me een fijne kerst wenst, toezwaait vanuit het zwembad en bedekt wordt met bubbels...BUBBELS! In plaats van sneeuw! De nagel aan de doodskist van de kerstgedachte en reden genoeg om een natie zijn recht om kerst te vieren te ontnemen, imho.

Gelukkig brengt een beetje omgekeerd redeneren de verloren kerstgedachte ook weer terug. Want verlost van alle oppervlakkige, sneeuwachtige praktijken is kerst ook een tijd voor reflectie, contemplatie en andere dure termen. Stil staan bij wat je hebt, wat je niet hebt en alles wat je misschien wel voor lief neemt. Dan ben ik ineens aan de andere kant van de wereld, mis ik mijn familie en vrienden, Hollandsche guurheid en erwtensoep, maar ben ik ook blij dat ik ben waar ik ben, gedaan heb wat ik gedaan heb en ga doen wat ik ga doen. Blij dat ik hier samen met mijn huisgenoten met weemoed de kerstkant van youtube verken, terwijl we ons best doen om kerst zo veel mogelijk na te bootsen. De kerstboom staat, de pakjes liggen eronder en alles is klaar om eerste kerstdag op typisch Australische manier te vieren: op het strand met een biertje in de hand!

Iedereen een hele fijne kerst en een fantastisch 2011!

19 reacties | reageer

FOC FTW!

Voordat ik begin met mijn verontschuldigingen over de radiostilte en jullie op de hoogte breng van wat ik de afgelopen tijd allemaal heb uitgespookt, wil ik even van de gelegenheid gebruik maken om een aantal mensen te feliciteren met gebeurtenissen die belangrijker zijn dan langdradige verhalen over waar ik rondhang.


Allereerst Dick en Sanne! Toen Dick en Sanne terugkwamen van hun Australische avontuur afgelopen december en ik hun verheugd mededeelde dat ik ook die kant op zou gaan, counterden zij met het nieuws dat ze zouden gaan trouwen. Geweldig voor hen uiteraard, maar ik baalde als een stekker, want ik zou op hun datum aan de andere kant van de aarde rondlopen. Inmiddels hoef ik me niet meer druk te maken om wat ik zou gaan missen; 24 september zijn Dick en Sanne in het spreekwoordelijke bootje gestapt. Ik hoop dat jullie een fantastische dag hebben gehad en gun jullie ontzettend veel moois. Gefeliciteerd!


Dan het tweede koppel dat een felicitatie verdient: Wycher en Kim! Na jarenlang door Kim in elkaar gemept te zijn vanuit haar rol als buurmeisje ;), kwam ze plots weer om de hoek kijken als vriendin van mijn hockeygabber. Enige tijd later verschijnt daar ineens een klein buikje en op 23 september is hun zoontje geboren, Sylvain Joël! Gefeliciteerd en ontzettend veel geluk met jullie kleine!


Dan door naar de bijzaken. Waar ben ik eigenlijk!?


Ik ben in Noosa! Het Malibu van Australie, de PC Hooftstraat van de oostkust en eindelijk een plek waarvan ik geloof dat men vindt dat het ‘the place to be' is, door er ook daadwerkelijk te ‘be'-en. Kleine kanttekening, het feit dat de schoolvakanties hier net begonnen zijn kan hier ook aan bijdragen. Noosa is de plek voor de rijken en verwenden, met kasten van huizen aan het strand, Hummer aan de voorkant, jacht en jetskies aan de achterkant. Toch heeft Noosa ook een andere kant, die goed gepaard gaat met het hautaine tintje van downtown Noosa. Surfers maken de golven onveilig en huiselijke backpackershostels met hangmatten en relaxte ‘vibes' tieren welig. Nationale parken en Everglades om de hoek en ook Fraser Island is vanuit Noosa bereikbaar. Gezellig plekje dus! Ik strijk neer in Dolphin's Beach House en probeer uit te vogelen waar het in Noosa allemaal om draait, want dat zal ik op de een of andere manier moeten vast zien te leggen met mijn camera.


Want dat doe ik. Ik film. Het open vallen van monden van backpackers die ik vertel wat ik aan het doen ben zal me waarschijnlijk nooit gaan vervelen. Vooral in de wetenschap dat ze vijf minuten daarvoor waarschijnlijk nog dachten dat ik gewoon zo'n mafkees was met een veel te grote camera en een uit de hand gelopen hobby. ‘You are so lucky!', krijg ik regelmatig te horen. En daar ben ik me terdege van bewust. Tegelijkertijd ben ik aardig in het diepe geflikkerd, en al weet ik mijn weg aardig te vinden, stiekem doe ik ook maar wat. Gelukkig is dat ‘wat' wel iets waarvan ik weet dat ik het kan, dat het al regelmatig heeft gewerkt en dat er geen reden is waarom ik me daar druk om zou moeten maken. Dus reis ik de Australische oostkust af en doe een heleboel leuke dingen. Free Of Charge! En das best prettig.


Sydney komt in zicht, maar de weg vanaf Cairns is lang geweest. Ik ben al zo'n anderhalve maand onderweg, mede doordat ik ook de ruimte heb gekregen om langer te blijven hangen op plekken waar ik het naar mijn zin heb. Een kort resume vanaf Cairns!


Al mijn activiteiten voor Cairns zijn zo'n beetje van tevoren geregeld, wat prettig is, want dan hoef ik daar ter plekke niet meer over na te denken. Ik check in in Northern Greenhouse, waar ik een weekje mag blijven hangen terwijl ik de omgeving van Cairns verken. En in de omgeving van Cairns valt behoorlijk wat te verkennen. Ik maak drie tours die me brengen naar Kuranda, Cape Tribulation, Daintree en Atherton Tablelands. Allemaal mooie plekken in de zin van wildlife, natuur, watervallen en rietsuiker, want dat is het voornaamste exportprodukt van de regio.
Eerst Kuranda, een dorpje dat bekend staat om de mooie treinrit erheen en de kabelbaan er vandaan, maar waar verder niet zo veel te beleven valt. Ik krijg een enorme stapel marketingmeuk in m'n handen gedrukt en kom in de gondelbaan over het regenwoud terecht in de ‘media cage', waar ik me van alles bij had voorgesteld, maar iedere voorstelling verdwijnt uit mijn gedachten als ik word ontvangen door een lieftallige jongedame die me een klimgordel in m'n handen drukt. Uiteindelijk film ik de kabelbaan en het fantastische uitzicht vanuit het karretje waarmee ze in Oostenrijk de boodschappen omhoog hijsen.


Met de eerste tours heb ik het oerwoud-deel van mijn bezoek aan Cairns gehad, maar Cairns heeft nog een belangrijke trekpleister: het Great Barrier Reef. Ik heb mijn oog laten vallen op een boottocht naar het rif, met snorkelen, bbq-lunch (mijn eten moet ik nog steeds zelf betalen, dus ik zoek zo veel mogelijk tours met lunches, ontbijtjes en diners) en belangrijker, een helikoptervlucht van het rif terug naar Cairns. Ik bel, hang op, bel, hang op, wat ga ik zeggen, ik weet het, ik bel, nee wacht, ik hang op. Oftewel, ik ben een enorme drol als het gaat om het vragen van gratis dingen. Natuurlijk staat er genoeg tegenover, maar de slapende marketingmanager in mij tukt rustig verder, terwijl ik naar mijn telefoon blijf staren. Volkomen onterecht, want gek genoeg lijkt ‘hoe duurder, hoe makkelijker' het devies, en een enkel belletje is genoeg om mezelf de volgende dag al op de boot te hebben. De vlucht terug naar Cairns is fantastisch en de piloot vliegt nog een extra keer over de boot zodat ik wat goede beelden kan schieten. Voor mij rest na de vlucht enkel nog hopen dat ik de camera een beetje stil heb kunnen houden en dat mijn beelden niet paars zijn doordat ik de witbalans per ongeluk verkloot heb.


Dat was de omgeving van Cairns, maar vanuit Sydney heb ik strikte instructies gekregen om ook een bezoekje te brengen aan de Woolshed, de plaatselijke backpackersbar. ‘Daar dansen ze op de tafels!' Een eerste verkenning verklaart dat fenomeen. Er is namelijk geen andere plek om te dansen! Ik loop overdag even bij de bar naar binnen om te vragen of het goed is als ik 's avonds wat kom filmen. Ik heb geluk, want die avond is het groot feest vanwege de zestiende verjaardag van de tent, en de eigenaar nodigt me uit om een hapje te komen eten en ik krijg een VIP-bandje om en kan de hele avond gratis drinken. Happy days!


Cairns. Check! Op naar Mission Beach, want in Mission Beach gebeurt namelijk helemaal geen reet! Officieel het saaiste gat aan de oostkust, waar menigeen naartoe komt om te skydiven of te raften, en waar ik uiteindelijk bijna twee weken blijf hangen, omdat ik het er enorm naar mijn zin heb met de groep Britse/Amerikaanse/Franse/Maleisische/Duitse backpackers die in het hostel in ruil voor accommodatie de hygienische scepter zwaait. Ik probeer een skydive te regelen, wat niet lukt. Raften is geen probleem, al valt er vanuit de boot natuurlijk weinig te filmen zonder de garantie dat ik mijn camera na het tochtje weg kan gooien. Das dus lekker zonder te filmen genieten van het raften! Stroomversnellingen van de vierde categorie staan garant voor een hoop lol, en zelfs wanneer we collectief uit de boot worden geknikkerd, ik door Moeder Natuur iets te lang onder water word gehouden en de gids ook al tot de conclusie is gekomen dat er een drijvend hoofd mist, kom ik, tot opluchting van de bezorgde gezichten om me heen, lachend boven. Later in de week ga ik nog een keer terug naar de rivier en sluit ik aan bij de fotograaf, om in de zeikende regen nog wat beelden van het raften te schieten. Zeikende regen waarin de rafters overigens dankzij een schitterend gat in de ozonlaag nog prima wisten te verbranden.


Met pijn in het hart verlaat ik Mission Beach, waar ik blij mee ben, want het is een tijd geleden dat ik zo'n moeite had met het verlaten van een plek. Mijn volgende stop is Magnetic Island. Verschillende mooie baaitjes, rondrijden in Mokes (kleine buggy-achtige autootjes) en wilde koala's kenmerken dit eiland en ik verplaats me over het eiland op een scootertje dat ik in bruikleen krijg van de eigenaar van het hotel waar ik verblijf. Hij geeft me een boel tips over wat ik allemaal zou kunnen filmen op het eiland en wijst me ook op de wekelijkse ‘toad races', die ik echt niet mag missen! De plaatselijke dorpsdronkaard opent in veilingstijl de biedingen op de verschillende padden die vanuit het midden van een grote cirkel hun weg naar de witte buitenring moeten zien te maken. TOP-entertainment, wat ik je brom. Verder maak ik samen met Scarlett Johansson een ritje op een paard over het strand van Horseshoe Bay (voor de Facebook insiders) en spot ik mijn eerste wilde koala's. En hij bewoog zelfs! (koala's slapen zo'n 20 uur per dag, kauwen 3 uur en tonen misschien een uurtje een lichte vorm van beweging)


Next stop, Airlie Beach! Grappig, bedenk ik me. Eigenlijk zijn er in Australie een heleboel plekken waar je alleen maar heengaat om ergens anders heen te kunnen. Zo ook Airlie Beach, wat voornamelijk fungeert als drankvoorzieining voor backpackers en toegangspoort naar een van de grootste attracties aan de oostkust, de Whitsunday Islands. Mijn eerste poging om op een boot terecht te komen is gelijk succesvol, en de zeilboot Iceberg is twee dagen lang mijn huis en vervoermiddel. Misschien kennen jullie de Whitsundays wel van plaatjes op het internet of een ansichtkaartje uit Australie. Google het voor de lol anders eens. Met slecht weer en hoog tij zijn de Whitsundays nog steeds erg mooi, maar stiekem ook gewoon ‘just another beach', wat vooral voor de film erg jammer is. De gidsen op de boot vermaken ons met heavy metal en gangsterrap en leggen de boot tijdens het zeilen zo ver op z'n kant dat je zou zweren dat je ieder moment om zou kunnen slaan. Het gebrek aan zonlicht heeft ook gevolgen voor het gesnorkel; het zicht is slecht en het water troebel, waardoor ik snel uitgesnorkeld ben. Een prachtige boottocht, niettemin, maar eentje die met een andere groep mensen en beter weer waarschijnlijk nog veel mooier was geweest.


Ik verplaats me langs de oostkust in de Oz Experience bus. Een bus die door heel Australie rijdt en waar je jezelf op het internet op kunt boeken. Deze bus heeft een aantal vaste ‘overnight stays', waarvan Kroombit Cattle station er een is. Een stukje land inwaarts, wat zorgt voor een vleugje outback. Iedereen krijgt min of meer verplicht een cowboyhoed en bandana aangemeten (zonder cowboyhoed geen happy hour. Ze weten wat ze doen.) Ik kies voor een mooie bruin leren hoed, die in het daglicht ineens verandert in goud, wat me meerdere malen de vraag oplevert of ik niet als een ware ‘meter-fairy' op rolschaatsen en in bikini parkeermeters bij zou moeten vullen. Een scherp antwoord blijf ik schuldig en het beeld in mijn hoofd is moeilijk te verdrijven. Dan volgt een een korte kennismaking met een aantal typische ranch-activiteiten. Klappen van een zweep, rodeo rijden (mechanische variant), lasso gooien, veedrijven en quadrijden. 's Ochtends cowboykaviaar en koffie regelrecht van het vuur en door naar Town of 1770. (ik breng er even wat vaart in!)


In Town of 1770 is van alles te doen, maar de grootste attractie is de scooteroo, een motorbiketocht op chopperachtige scooters door de achterstraatjes van 1770, gekleed in zwart leren jasjes met vlammen en dito helmen. Iedereen is lyrisch over de tocht, dus ik kijk uit naar mijn beurt. Eerst wordt er weer gefilmd, dit keer van achterop bij een van de tourguides. Mijn eigen tocht is...leuk. Zwart leer met vlammen, waarom niet? Maar ik heb er al aardig wat uren op een motorbike opzitten en word niet meer zo warm van een ritje door de ‘not so scenic back alleys' van 1770 op een opgedofte Puch. Een tochtje in een zeekayak blijkt meer mijn ding.


Na vier dagen in Town of 1770 trek ik weer verder. De Oz Experience brengt me naar Hervey Bay, liefkozend bijgenaamd ‘God's waiting room', niet gemaskeerd door de achterlijk grote lawn bowling club die we passeren (jeux de boules voor mensen die zo oud zijn dat ze alleen nog maar ballen kunnen rollen). Waar Airlie Beach de toegangspoort is voor de Whitsundays, is Hervey Bay een van de toegangspoorten naar een andere grote attractie aan de Australische oostkust, Fraser Island. Fraser Island is een eiland dat volledig bestaat uit zand, wat maf is, want er is een enorm regenwoud op te vinden. Ik loop langs bij een van de touroperators en vind een plekje op een zogenaamde' tag along tour', wat inhoudt dat je met een aantal 4x4's het eiland opgaat, waarbij de voorste wagen wordt bestuurd door een gids. Dat is leuk, want dat betekent dat de andere wagens gereden kunnen worden door de mensen die dit willen en kunnen. De briefing over wat wel en niet te doen op het eiland is typisch Australisch, alles wordt tot in den treuren uitgekauwd, wat irritant is, maar deels ook begrijpelijk, omdat bezoekers van het land er een handje van lijken te hebben alles en iedereen aan te klagen als ze zelf zo dom zijn om hun nek te breken. Op Fraser eiland was dit een backpacker die een grote duin afrende, viel, z'n nek brak en het park aanklaagde omdat er geen bordje stond dat zei dat ie er niet mocht rennen. Ik heb verschillende gidsen en locals gesproken die stuk voor stuk vertellen dat Australie er door dit soort geintjes in de afgelopen jaren niet gezelliger op is geworden.


Op de ochtend van de eerste dag wordt er met de hele groep (19 man) boodschappen gedaan voor de komende drie dagen. Daarna brengt de ferry ons in onze schitterende roze 4x4's naar het eiland. Helaas zit ook tijdens deze tocht het weer niet mee. De eerste dag komt de regen met bakken uit de hemel, maar wanneer we bij Lake MacKenzie aankomen doen we met z'n allen gewoon alsof het strak blauw is en springen in het meer. De nacht zou eigenlijk op het strand doorgebracht moeten worden, maar daar is geen enkele beschutting te vinden, wat betekent dat we de tenten in de regen op zouden moeten zetten, we niet normaal zouden kunnen koken en dat al onze spullen de volgende twee dagen doorweekt zouden zijn, dus het lijkt de gids een goed idee als we inchecken in het resort op het eiland, waar we een droge en gezellige avond hebben.


De volgende dag wordt er hoe dan ook gekampeerd, wat ik heerlijk vind. Op een eiland, zand in je eten, het geluid van de golven als je wakker wordt en de afwas doen in de branding. Ook het rijden op het strand is geweldig, vooral wanneer je vol gas door het aanspoelende water rijdt en de wagen een paar seconden in een bel van water verdwijnt, terwijl de passagiers achter je hun raampjes niet dicht hebben gedaan en iemand zo bijdehand was om zijn schoenen aan de buitenspiegels te drogen te hangen. Mwoaha! Die zijn nog steeds niet droog, kan ik je melden!


Naast bekend te staan als bejaardentehuis, staat Hervey bay ook bekend als ‘whale capital of the world'. Vanaf Indian Point op Fraser en vanaf mijn boot op de Whitsundays heb ik van een afstand al een aantal walvissen gezien, maar vanaf de boot die mij op mijn laatste ochtend in Hervey Bay de zee op brengt krijg ik pas echt goed zicht op deze geweldige beesten. Walvissen zijn enorm nieuwsgierig, en ze komen dan ook graag een kijkje nemen bij de boten die iedere dag massaal de zee op gaan om ze te bekijken.


En dan zijn we alweer in Noosa! Dat ging snel! Over twee dagen ga ik verder naar Brisbane, wat inhoudt dat ik op herhaling ga. Ik gok dat ik nog zo'n week of 3 nodig heb om terug te komen naar Sydney, waar alles gemonteerd gaat worden en waar ik eens rustig ga bedenken wat ik verder nog ga doen. Melbourne, Nieuw-Zeeland, Azie...? We zullen zien!

Tot snel!

6 reacties | reageer

Australi...huh?!

Lichtelijk teleurgesteld over de acceptabele amusementswaarde van het eerste deel van Stiegs trilogie en in staat van uiterste verbazing over de enorme hoeveelheid koffie die er in een enkel boek genuttigd kan worden, wordt mijn aandacht tijdens het lezen van de laatste vijf pagina's even getrokken door een conversatie in de dorm waar ik me bevind. "You just dropped your pants and started running 'round, till you tripped and landed on that fat chick!" Alsof het een avondritueel betreft val ik in de bijna spirituele woordenwisseling tussen een groepje Britten die elkaar helpen herinneren wat ze de avond ervoor eigenlijk allemaal hebben uitgespookt, waar het vermogen om dat zelf te kunnen onthouden waarschijnlijk al redelijk vroeg op de avond verloren ging. Een groepje Britten dus, zoals er ook groepjes Duitsers en Australiers zijn, allemaal in dezelfde dorm. Ik bevind me in 'The Church', officieel de grootste dorm waar ik ooit ben geweest en thuis aan 28 jongelui, die, als ze 's ochtends hun bed uit kunnen komen, overdag aan het werk gaan om hun verdiende geld 's avonds weer te verzuipen. Wat een 27-jarige 'ouwe rot in 't vak' als ik nog rest is terugdenken aan alle 'Argeles-sur-Mer'-tjes van weleer en hoe ik daar nu stiekem niet zo naar op zoek ben. Het voelt een beetje als toen ik enige tijd terug na lange afwezigheid op een vrijdagavond weer eens op het Stadhuisplein in Zoetermeer belandde.

Ik klink misschien een beetje als buurman die de voetbal lek prikt, maar wat ik meer aan probeer te geven is dat het voornamelijk in 'reisbelevenis' een aardige stap is van Azie naar Australie, want daar ben ik inmiddels al ruim een maand. Een maand in Australie, en Australie en ik...we boteren niet zo. Geen man overboord, want de high van Azie was erg hoog.

Na mijn supertijd met mijn zusje blijf ik alleen achter in Sanur, waar ik niet van plan ben te blijven. Joe, Michelle, Chris en Anja overtuigen me om met ze mee te gaan naar Ubud, waar ik met Simone al geweest ben, maar waar ik best nog een keer naar terug wil. We blijven er een week waarna Chris naar Australie vertrekt en ik met Joe en Michelle weer mee terug ga naar Kuta, waar ook Anja weer naartoe komt om vandaan terug te vliegen naar huis. Vanuit Kuta stap ik samen met Joe en Michelle op een motorbike richting Ulu Watu, een tempel in het zuiden van Bali. Onderweg is het even zoeken naar de weg, en Michelle weet ons op een gegeven moment nog net op tijd te wijzen op een bordje dat aangeeft dat we rechtsaf moeten om bij de tempel te komen. We gaan in de ankers en kunnen nog net vooraan in de rij voor rechtsaf aansluiten. Niks aan het handje. Totdat we ineens redelijk dwingend door een agent van de weg worden geplukt. Ons van geen kwaad bewust volgen we de orders op, in afwachting van onze overtreding. Wat blijkt, we stonden voorbij 'de streep'! Het behoeft verder geen uitleg dat de beste man klaarblijkelijk een slechte dag heeft en een willekeurig kruispunt heeft uitgekozen om wat westerlingen van de weg te halen en wat geld uit de zakken te kloppen. Ik kom er genadig vanaf wanneer ik mijn internationale rijbewijs laat zien, maar Joe heeft minder geluk. Hij heeft geen internationaal rijbewijs en stond voorbij de streep. De streep! Als een blad aan een boom wisselt de beste man van jolige Aziaat die praat over voetbal naar de strenge agent die ons niet laat gaan zonder dat er betaald wordt. Met wat joviale voetbalpraat komen we helaas niet veel verder en de agent wil 200.000 roepiah (net geen 20 euro) zien. Beste optie in dit geval is gewoon maar vragen om een bekeuring en op een later moment betalen, om te voorkomen dat het geld in de zak van de agent verwijnt. Hij blijft echter volhouden dat hij Joe wel een bekeuring kan geven, maar dat hij dan twee weken later voor de rechter moet verschijnen. Ondertussen is Michelle zo slim geweest om hun portemonnee te legen en laat de agent zien dat ze nog maar 50.000 hebben. Als de agent vraagt of ik het ze niet voor kan schieten doe ik alsof ik ze niet ken, en dan is de 50.000 uiteraard ineens ook genoeg. We mogen onze weg vervolgen en komen aan bij Ulu watu. Zonnebrillen gaan weg, camera's stevig in de hand, want de apen bij Ulu Watu staan erom bekend alles van je hoofd of uit je handen te jatten, waarna een vriendelijke gids tegen een kleine vergoeding de aap zo ver weet te krijgen je bril weer terug te geven. De omgeving van Ulu Watu staat ook bekend om zijn goede surf, waar ik, na mijn amateuristische geklungel in Kuta, vanaf gepaste afstand naar kijk.

Als ook Joe en Michelle richting Sumatra zijn vertrokken blijf ik dan echt alleen achter. Kuta is voor mij geen plek om lang rond te hangen, dus ik stap zo snel mogelijk op de bus en de ferry richting Lombok. Ik heb mijn pijlen gericht op Flores, een eiland waar niet heel veel mensen naartoe gaan, voornamelijk omdat het een enorm eind weg is. Vanaf Lombok wacht me een 16 uur durende busrit, waarin geen rekening is gehouden met vertragingen, die ik gegarandeerd op ga lopen.

Na 2 nachten op Lombok maak ik me op voor de tocht richting Flores. Ik kom aan op het busstation Bertais op Lombok en tref het bekende plaatje aan: veel bussen, veel mensen die wat van je willen, veel geschreeuw, veel loslopend vee...ik vind het heerlijk. Na korte rondvraag word ik in de richting van mijn bus gewezen, die met de motorkap open zeker een kwartier lang aandachtig wordt bekeken door een groepje mannen. Driftig wordt er heen en weer gerend tussen mijn bus en een andere, terwijl het ene onderdeel wordt gewisseld met het andere, en dan toch maar weer niet, en nog wat meer schoonmaken, en nog wat praten, en kijken, maar rijden, ho maar. Terwijl mijn bus overduidelijk voorlopig nog nergens heengaat word ik gecommandeerd om mijn tas snel in het laadruim te gooien. "Maar die bus ging toch voorlopig nergens heen?" Klopt, maar als Aziaten de mogelijkheid zien om een westerling rond te commanderen laten ze die kans niet schieten! Ik laat het allemaal rustig gebeuren en kijk eens rond naar mijn medepassagiers. 16 uur in een bus volgeladen met locals. Ik ben letterlijk de enige backpacker! Dat wordt een rustig ritje...Terwijl ik mijn oreo's voor onderweg koop kom ik nog een backpacker tegen. De Canadese Kelly zit niet in dezelfde bus, maar dat is snel geregeld, dus ik heb in ieder geval iemand om tegenaan te kletsen. In de praktijk is het meer andersom, maar ik vind het gezellig en als we eenmaal bij de laatste ferry aankomen is de tijd omgevlogen.

De ferry naar Flores heeft uiteraard ook vertraging, maar we hebben geen haast en komen uiteindelijk aan het begin van de avond aan in Labuan Bajo. Even zoeken brengt ons in een 'nieuw' hotel, wat vooral inhoudt dat de kamer die we krijgen geen gordijnen en geen douche heeft, maar dat wordt de volgende dag voor ons geregeld. Labuan Bajo is niet bepaald een lief, mooi havendorpje. Wat ze wel hebben is een bar met een groot scherm waarop we voetbal kunnen kijken! Ik zoek het dorp af naar oranje en kom terug met een tafelkleed en een muts en zelfs Kelly schaft bij gebrek aan een Canadese bijdrage aan het WK een oranje shirtje aan. Zoals overal in Azie komen ook hier alle Nederlanders bij elkaar en ontstaat er een heerlijk sfeertje, helemaal wanneer er gewonnen wordt.

Nou was het al een aardige onderneming om op Flores te komen, maar al snel blijkt dat om verder nog iets van Flores te zien er nog meer gereisd zal moeten worden. Zo zijn de vulkanische meren van Kelimutu nog een goede 20 uur met de bus verwijderd van Labuan Bajo. Met Ijen nog fris in het geheugen vind ik het eigenlijk wel prima om Kelimutu te laten voor wat het is. We besluiten in Labuan Bajo te blijven en in plaats van met de bus met een 4-daagse boottocht terug te gaan naar Lombok. Ik stap de volgende dag op een motorbike en rijd door de prachtige natuur van Flores, over bergruggen en door valleien, door kleine dorpjes met zwaaiende mensen, zonder doel en zonder idee waar ik eigenlijk heenga. Het is een sensatie die moeilijk te beschrijven is. Rijden totdat ik eigenlijk nog maar een ding kan doen, dezelfde weg weer terug nemen.

Dan is het tijd voor de boottocht terug naar Lombok. Volgens het programma brengt de boot ons langs verschillende mooie eilanden, met prachtige snorkelstekjes, watervallen, meren en ook langs de eilanden Komodo en Rinca, waar we op zoek zullen gaan naar Komodo's! We slaan een gezonde hoeveelheid bier in die eenmaal op de boot in een grote koelbox met ijs verdwijnt en maken kennis met onze medepassagiers: Jan uit Polen, Freddy uit Duitsland en Rachel uit Spanje. Er wordt ons verteld dat de boot regelmatig meer dan 15 man aan boord heeft, wat ons gezien de ruimte aan boord aardig proppen lijkt, maar met 5 man is het prima te doen. Als we eenmaal koers zetten richting open zee is het even schrikken van het lawaai dat de motor maakt, helemaal in de wetenschap dat er tijdens een van de nachten doorgevaren zal moeten worden. Het volume wordt tijdens de gesprekken simpelweg wat verhoogd en het geronk van de motor begint al snel genoeg serene vormen aan te nemen.

Wat volgt is werkelijk een onvergetelijke boottocht over de Flores Sea, langs het eiland Sumbawa terug naar Lombok. Op verschillende plekken wordt er gestopt om te snorkelen. Het koraal is prachtig en bewoond door een enorme hoeveelheid vissen. Box fish, clown fish, parrot fish en legio andere vissen in de meest fantastische kleuren. Schildpadden, haaien en mantaroggen, ze komen allemaal voorbij. De bezoekjes aan Rinca en Komodo leveren inderdaad Komodo's op, wat niet heel verwonderlijk is, want die beesten zijn lui! Helemaal wanneer er in het kamp van het park (Komodo en omgeving zijn een Nationaal Park) gekookt wordt weten de beesten de bron van de geuren snel te vinden, waarna ze met z'n allen zo'n beetje neerploffen in de schaduw onder een van de hutjes. Ze zien er dus maar tam uit, maar niettemin zijn het indrukwekkende beesten die nog best een potje kunnen rennen als het moet. We mogen dus niet te dichtbij komen, wat we na de verhalen over ongelukken met toeristen en de manier waarop een Komodo de plaatselijke waterbuffel te grazen neemt dus ook maar niet doen.

De afstand die met de boot afgelegd moet worden is groot, maar kan tegelijkertijd niet lang genoeg zijn. De omgeving is prachtig, het eten aan boord is prima en de tijd wordt doorgebracht met lezen, kletsen, staren, muziek maken, gewoon genieten. We gaan voor anker bij het eiland Moyo en terwijl het avondeten geserveerd wordt kijken we naar het schouwspel van de Flying Foxes, enorme vleermuizen die in het licht van de ondergaande zon massaal hun vlucht maken vanaf Moyo naar een ander eiland. 's Nachts zit ik samen met kapitein Zoom en matroos Zoom II voorop de boot, terwijl Zoom III het roer recht houdt in de nacht dat we doorvaren. Plotseling lijkt het alsof Noord-Korea heeft besloten hun offensief in Indonesie te beginnen, wanneer er witte torpedo's schuin onder de boot door lijken te schieten. De torpedo's buigen af, komen in lijn met de koers van onze boot en beginnen voor onze boot uit het water te springen...Dolfijnen! Ik geloof mijn ogen niet en kijk ademloos hoe de dieren in het licht van de maan een paar minuten met ons mee zwemmen, terwijl Zoom II voorkomt dat ik in mijn enthousiasme van de boot af lazer.

Het einde van de tocht komt in zicht, maar we maken nog een stop bij een eiland met een waterval, wat erg prettig is na 3 dagen zout water, en we stoppen op een eiland met een enorm binnenmeer omringd door bergen bedekt met bomen die tot in het water lijken te groeien, waar niemand te bekennen is en we rustig een uurtje ronddobberen.

Op de vierde dag komen we helaas al vroeg aan op oost-Lombok, waarna we met een busje naar het westen worden gereden, vanwaar we met de ferry weer terug zullen gaan naar Bali. Ik besluit met Kelly mee terug te gaan naar Kuta, of all places, waar ik mijn laatste dagen Azie uit zal zitten tot ik vertrek richting Darwin. In Kuta is alles voorhanden en ik kan nog wel wat tijd gebruiken om mijn filmpjes af te maken voordat ik naar Australie ga.

Vier dagen voordat ik naar Australie vertrek neem ik afscheid van Kelly en blijf ik weer alleen achter. En dan ben ik het gewoon even helemaal zat. Afscheid nemen van leuke mensen, alleen zijn en weer opnieuw beginnen. Het einde van Azie komt eraan en het begin van wat voelt als het grote onbekende wacht op me. Ik gun mezelf wat neerslachtige dagen, vermaak mezelf overigens nog steeds prima met voetbal kijken en jammen met een bijzonder getalenteerde Zwitserse, die er alsof het niets kost een weergaloze cover van Fleetwood Macs 'Big Love' uitgooit en zich ook nog eens op mijn voeten uitleeft met henna. Ik vloek op Windows omdat het de projectbestanden van mijn filmpjes niet wil openen en ik dus met lege handen in Australie aan moet komen en probeer me op te laden voor mijn Australische avontuur, vastberaden om er iets moois van te maken.

De neerslachtige dagen eindigen alleen niet zodra ik in Darwin van het vliegveld stap. Ik ben in Australie en heb geen idee wat ik ervan moet vinden. Ik vind een bed in Melaleuca on Mitchell, een redelijk massaal hostel waar ik met 30 dollar voor een dorm mijn eerste financiele schok lachend naast me neer probeer te leggen. En wie is hier eigenlijk de local? Wie is er aan het reizen en wie woont hier? Ik ben gewoon net als ieder ander! Ik ben in Europa! Mitchell street is de straat waar het gebeurt in Darwin en is gevuld met hetzelfde reizende volk dat ik eerder al beschreef. Ik verbaas me over de enorme bak met regels en verboden in Australie, alle straffen en boetes staan netjes aangegeven, er wordt me op het hart gedrukt geen petroleum of olie in de droger te gooien, ik kan precies lezen wat ik allemaal zou kunnen breken als ik toch langs dit hek ga en naar beneden lazer en een pak melk is zelfs versierd met de mededeling dat ik het geopende pak niet op z'n kant moet leggen...Ik besef me dat ik het me niet kan veroorloven om te lang te niksen, dus ik moet iets gaan doen. Werken of verder reizen zijn eigenlijk de enige opties, maar waarheen? En hoe? En wanneer? En waarom? Ik wil wel wat van de omgeving zien, maar tours naar parken in de omgeving kosten me zo een paar honderd dollar, dus die stel ik nog even uit. In het zuiden is het koud, krijg ik letterlijk van iedereen te horen, dus dat klinkt ook niet direct als een plan. Werken in Darwin zou kunnen, al vind ik Darwin niet zo leuk dat ik er een paar maanden wil blijven hangen. En nu...? De conclusie is dat ik van m'n luie Azie-reet af moet komen en actie moet ondernemen. Australie is geen Azie, het is Europa, maar anders, en ik zal hier meer m'n best zal doen om er iets van te maken, wat nog steeds makkelijker gezegd is dan gedaan. Een spoed Skype-sessie met het thuisfront helpt me bij het maken van mijn keuze. Het wordt Brisbane. De twee Nederlandse meiden die ik in Maleisie heb leren kennen zitten in die omgeving, hebben een camper en zien mij graag aansluiten bij hun reis naar het zuiden. Dat lijkt me erg gezellig en is daarnaast een goede manier om de dingen wat in beweging te krijgen.

Het voelt goed om eindelijk een keuze gemaakt te hebben en terwijl ik in een park in Darwin rustig wacht tot mijn vlucht naar Brisbane twee dagen later, begint de Canadees-Slowaakse Michelle tegen me aan te praten. Ze vraagt of ik enig idee heb wat er in Darwin te doen is en heeft me binnen vijf minuten aangeboden om haar kamer in het 4-sterren Mantra Hotel te delen, die zij alleen bewoont nadat degene met wie ze de kamer zou delen haar heeft laten zitten, maar wel zo aardig was om de boel te betalen. Een flinke verbetering na mijn stapelbed in Melaleuca, dus ik sla, volkomen onschuldig, niet af. Ook in Darwin zijn de Nederlanders ruim vertegenwoordigd, dus ik maak in wederom een topsfeer mee hoe Nederland zich langs Slowakije vecht en maak me op voor mijn vlucht naar Brisbane.

In Brisbane word ik herenigd met Femke en Anouk, die met hun schattige, 30 jaar oude Toyotaatje, liefkozend omgedoopt tot Aby, de oostkust van Australie afreizen. Onze eerste overnachting is gelijk mijn eerste kennismaking met het fenomeen couch surfen, wanneer we kamp opslaan in het huis van de Nederlandse Arjen in Indooroopilly, een buitenwijk van Brisbane. We krijgen een bed en twee matrassen en hebben zo de ideale mogelijkheid om wat van Brisbane en de omgeving te zien, misbruik te maken van de Wii en voetbal te kijken in het plaatselijke cafe. 'You guys are crazy!', krijgen we te horen wanneer we na 2-1 winst op Brazilie in feeststemming de tent weer verlaten.

Na een paar dagen banksurfen trekken we verder naar het zuiden. We overnachten op parkeerplaatsen, in nationale parken en campings, wat relatief goedkoop is, en we komen langs prachtige plekken. Ik kom mijn eerste kangaroes tegen en maak een mooie ochtendwandeling langs de kust van Byron Bay, nadat we weer een nacht verloren hebben door het Nederlands elftal (de wedstrijden zijn hier om 04.30!). Het touren met het busje is leuk, de meiden zijn gezellig, maar ik ben ondertussen nog steeds niet op m'n gemak. Ik heb het gevoel dat ik iets moet doen, iets moet beslissen, iets moet plannen om van dit gevoel af te komen en heb er een aardig aantal eenzame nachtelijke strandwandelingen voor nodig om uit te vogelen wat dat is.

Na een week rijden komen we eindelijk aan in Sydney. De WK-finale komt eraan, dus is het tempo iets omhoog gegaan zodat we deze met hopelijk veel Hollanders in Sydney kunnen bekijken. In Sydney verblijven we in het gastenverblijf van kennissen van Anouk, een eindje buiten Sydney. Een gastenverblijf dat uitkijkt over een vallei, een tennisbaan, een zwembad en een schitterend huis, waar we kunnen koken en onze kleren kunnen wassen. Niet verkeerd!

Ik ben dus in Sydney, wat een mijlpaal zou moeten zijn. En ondanks mijn stemming is dat het ook. Ik sta bij het Opera House, kijk uit over Harbour Bridge en kan niet anders denken dat ik toch maar gedaan heb wat ik al die tijd geroepen heb. Misschien een paar jaar later, misschien niet op de jaarwisseling, maar ik ben er wel! Terwijl Femke en Anouk Sydney rondgaan om posters op te hangen om hun bus te verkopen neem ik rustig de tijd om Sydney te bekijken. Ik neem uiteindelijk zo veel tijd dat ik niet meer met de bus terug kan naar Terrey Hills, waar we verblijven. Het enige wat ik kan doen is de trein pakken naar een plaatsje in de buurt van Terrey Hills en hopen dat er van daar een bus of een taxi gaat. Niet dus. Op zich geen probleem, want ik ben een loper en begin om 23.00u vol goede moed aan de 12 kilometer die voor me liggen. Gevolg is een 3 uur durende looptocht langs de snelweg waarvan ik de laatste kilometer niet meer normaal kan lopen van de pijn. Mijn Allstars hebben zich kranig geweerd maar hebben niet kunnen voorkomen dat ik blaren op mijn blaren heb en nog zeker 3 dagen mank loop...

Dan is het tijd voor de finale! Even zoeken heeft een mooie stek opgeleverd waar we de wedstrijd kunnen bekijken. Darling Harbour in Sydney is tijdens het WK omgetoverd tot Sydney Fifa Fan Fest, met een groot afgezet terrein, muziek voor de wedstrijden en een groot drijvend scherm in de haven! Maar wacht! Er is zelfs een waar Holland House! We kunnen ons geluk niet op en maken opgemaakt met vlaggetjes op de wangen en oranje nagellak onze weg richting de haven. Vol enthousiasme komen we aan bij het Holland House, waar we van een Hollander bij de kassa te horen krijgen dat we 'vijvijftig' moeten betalen. Vijf vijftig, kleine brijdrage voor een oranje huis vol Hollanders, geen probleem. Ik leg tien dollar neer en word een beetje schaapachtig aangekeken. Vijf-en-vijftig dollar! We bedanken beleefd en vertrekken richting de haven, waar het vast ook erg gezellig wordt...En dat wordt het ook! Het terrein loopt langzaam vol met oranje en rood en er wordt nog iemand blij gemaakt met een dode mus wanneer de auto die hij zojuist gewonnen heeft toch aan iemand anders wordt gegeven. Het was waarschijnlijk nog gezelliger geworden als de bar niet om 02.00u was dicht gegaan en de alcoholconsumptie als op een 'bluddy' schoolreisje niet was beperkt tot 2 drankjes voor twaalf uur en eentje daarna! Nou VRAAG ik je! Dat werd nog twee en een half uur uitzitten en opwarmen bij de MacDonalds. Het Australische commentaar bij de wedstrijd is werkelijk tenenkrommend, en de uitslag maakt dat we blij zijn geen 55 dollar te hebben betaald voor een huis vol droevigheid.

Ondertussen hebben we te horen gekregen dat we het gastenverblijf helaas weer moeten verlaten. Voor de meiden betekent dat verder rijden naar het zuiden. Voor mij betekent dat afscheid nemen van de dames. Ik heb besloten om in Sydney te blijven en te proberen het hele filmgebeuren nog een laatste keer van de grond te trekken. Addmissions is het Nederlandse bedrijf achter onder andere Australie.nl en heeft een kantoor op Bondi Beach in Sydney. Het lijkt mij dus het verstandigst dat ik in de buurt blijf in afwachting van wat ik voor hen kan doen. In Azie is er door materiaalpech, softwareproblemen en andere tegenslag van het monteren van de filmpjes niet veel gekomen en ben ik de nodige tijd verloren in pogingen om iets te maken, maar ik heb wel het een en ander gefilmd. Ik heb er een hard hoofd in, maar weet ook dat ik zo'n unieke kans niet kan laten schieten. Ik laat het bedrijf weten dat ik graag een keer langs zou willen komen om kennis te maken. Niet geheel onterecht krijg ik als reactie dat een kennismaking niet zo veel zin heeft als ik niets heb om te laten zien. Nog een laatste weekend ga ik spenderen aan het monteren van een filmpje.

Ik ben verhuisd naar een hostel in Kings Cross in Sydney, Pink House. Hier kom ik de Oostenrijkse Anita tegen, met wie ik een walking tour door Sydney maak. Als we op de weg terug zijn naar ons hostel en even rondkijken hoe we daar komen, stopt er ineens een taxi voor onze neus. Er stappen drie dames en een heer uit, brallend in het Duits, al komen ze uit Sydney. Ze zien ons staan en proberen ons ervan te overtuigen in de taxi te stappen, want de Duitse taxichauffeur schijnt hilarisch te zijn. Beleefd laten we weten dat we niet direct een taxi nodig hebben. Dan valt het oog van een van de dames op mijn LP en ze verklaart ons voor gek dat we dat primitieve ding gebruiken. 'That thing expires even before you buy it! Just follow us!' Zodoende! We volgen de vier van bar naar bar en belanden uiteindelijk aan het eind van de avond op de verjaardag van iemand die we niet kennen, die wel wat raar opkijkt als we ineens aan haar voorgesteld worden maar die ons ook hartelijk verwelkomd in haar huis. De 'barbie' staat aan, de 'eski' zit vol met bier en wat volgt is een memorabele avond met full band guitar heroe! Bon Jovi is nog onder de levenden, maar hij zou zich omgedraaid hebben! De volgende dag slaap ik in het zonnetje in het gras van de Royal Botanical Gardens met uitzicht op de Harbour Bridge en Opera House mijn roes uit.

Ondertussen ben ik al 3 weken in Sydney en heb ik de tijd genomen om eens rustig rond te kijken. De ferry brengt me door de haven van Sydney (een attractie op zich) naar Cockatoo eiland, een industrieel eiland omgetoverd tot museum, en naar Manly, een deel van Sydney met een schitterende 'scenic walk' langs de kustlijn. De Royal Botanical Gardens worden een favoriete hangplek. Heerlijk om in de zon met een ontbijtje, bakkie koffie en een gitaar de dag door te brengen.

Van het Pink House verhuis ik na een week naar Maze Backpackers, wat zijn naam eer aan doet, en naar Westend, waar de 'Church' in gevestigd is ('sociable' wordt me verteld. Mijn 'anonymous' wordt met een scheve blik ontvangen). Ik breng een weekend door in het internetcafe van Mr. Sun, een niet zo'n vriendelijke Chinees, maar zijn internet is goedkoop en het filmpje komt af. Ik stuur het filmpje op naar Addmissions en krijg te horen dat mijn contactpersoon en oprichter van het bedrijf, Frank, het er goed uit vindt zien, maar dat het nog door de ballotage moet bij de redactie. Een dag later krijg ik het goede nieuws dat ook de redactie het ziet zitten! De eerste afspraak met Frank klinkt vervolgens veelbelovend en we bespreken wat ik voor het bedrijf kan doen. En ook dat klinkt goed! De eerste stap is dat ik met de camera op pad ga en de oostkust van Australie vast ga leggen. Steden, eilanden, nationale parken, opmerkelijke plekken, dingen of mensen, alles ga ik vastleggen in korte filmpjes. Volgende week zondag word ik naar Cairns gevlogen (ik weet niet hoe vaak ik nog kan zeggen dat 'ik gevlogen wordt', dus ik kies geen andere woorden!) om vervolgens met de Oz Experience, een bus die op veel verschillende plekken langs de oostkust komt, weer terug naar Sydney te rijden. Hopelijk ook het zonnetje achterna! Het verzamelde materiaal zal ik vervolgens in Sydney gaan monteren, terwijl het weer in het zuiden van Australie ook bijtrekt en ik misschien richting Melbourne hetzelfde kan doen. Ook mijn plan om naar Nieuw-Zeeland te gaan is geen probleem, want ook daar kan ik voor Addmissions aan de slag. Allemaal met de vrijheid om ook nog mijn eigen dingen te doen, maar ook met de mogelijkheid om uit naam van het bedrijf op mooie plekken, mooie tours en mooie accomodatie terecht te komen. Vanuit een heli kun je verdomd mooie plaatjes schieten!

De afgelopen dagen ben ik al even op pad geweest om de camera onder de knie te krijgen. Ik probeer de zonsondergang op Bondi Beach vast te leggen en mijn oog is al gevallen op een ander groepje mensen dat blijkbaar hetzelfde aan het filmen is. Ik ben mijn camera aan het opzetten als een van de heren naar me toe komt en vraagt hoe lang ik nog bezig ben, want ik sta in het shot. Ik doe niet moeilijk en verplaats me naar een plekje achter hun camera, waar vier heren staan, eentje met gitaar, ze zingen wat. Ik zet mijn camera weer op, maar luister met een half oor naar de klanken van de heren, die me verdomd bekend in de oren klinken. 'Just a band from overseas'. Dat zal best, maar ik ben ook van overseas en ik herken Mumford en Sons wel wanneer ik ze hoor. Ze zijn een videoclip aan het schieten op Bondi Beach, wat mij gelijk doet vragen of ze in Groot-Brittanie geen mooi plekje konden vinden, maar ze zijn aan het touren in Australie, vandaar. Ik blijf een nuchtere Hollander, dus geen handtekeningen, geen foto's en geen jamsessie.

Om wat dichter bij het vuur te zitten ben ik verhuisd naar een hostel op Bondi Beach, waar ik blijf totdat ik naar Cairns vlieg. Het hostel is een stuk kleiner, Bondi een stuk rustiger, mijn dorm gevuld met een 4 gezellige heren, waarvan 2 absolute mafkezen en een totaal van 5 gitaren, wat een garantie voor mooie nachtelijke jamsessies met meer glow-in-the-dark dan goed voor je kan zijn.

De komende week ga ik mijn route uitstippelen en rondbellen om het eerste deel van mijn accomodaties en tours geregeld te krijgen. Ik heb er ontzettend veel zin in, voel me goed en kijk uit naar een hele mooie tijd langs de oostkust, wat volgens mij zeker gaat lukken!

Als bonus nog een bak foto's, en ach, waarom ook niet, een filmpje! Daar komen er als het goed is nog meer van! :)

Tot snel!

5 reacties | reageer

Java en Bali, broer en zus!

Ja, aan mij nu de eer om een verhaal te schrijven op Bou zijn site. Inderdaad een hele eer maar het voelt een beetje als samen met Bou een Karaokebox betreden; kan ik er aan tippen? We zullen zien.

Op dinsdag 11 mei begint de dag voor mij vroeg en niet heel aangenaam. Ik moet afscheid nemen; eerst van mijn kindjes en daarna (op het vliegveld) van man, zus en moeder. Niet leuk en ik besef dat hier het proeven aan Bou zijn avontuur begint. Ik maak me geen illusies, ik geloof niet dat Bou zo heeft zitten snotteren in het vliegtuig als ik, maar toch...


Na een lange reis kom ik aan in die totaal andere wereld. In eerste instantie is dat al merkbaar aan de temperatuur (heet, heet , heet , wel 30 graden warmer dan NL!) en alle opdringerige mannetjes die je in hun taxi willen krijgen. Het is heel fijn om Bou weer te zien en wat me gelijk opvalt is dat hij de relaxte reizigers houding heeft. We kletsen op het vliegveld gelijk even bij, Bou moet zijn Muhamed verhaal kwijt, en vertrekken vervolgens naar Jakarta. Hier mag ik nog 1 nachtje genieten van een luxe hotel ( met airco) om een beetje rustig te kunnen wennen aan het klimaat. We doen een dagje Jakarta en de volgende dag bezoeken we de botanische tuin van Bogor. Beiden niet heel bijzonder en bovendien moeten we in de tuinen veel schuilen vanwege de regen. We vertrekken met de nachttrein naar Yogyakarta waar we donderdagochtend vroeg aankomen en inchecken in Bladock homestay. Een prima plekje met zwembad en badkamer (koude douche en hangplee waar je zelf emmertjes water ingooit bij wijze van ‘doortrek') op de kamer. We zijn van plan hier een paar dagen te blijven om rustig Yogya te verkennen en iets van de omgeving te bekijken. We gaan naar het Ramayana ballet bij het Prambanan tempelcomplex, slenteren door Yogya waarbij we af en toe schuilen in een mall met airco en bekijken in Vredeburg honderden afbeeldingen over hoe de dappere Indonesiërs zich staande hielden tegenover de gemene Nederlanders tot hun vrijheid in 1949 eindelijk volgde. Bou speelt de sterren van de hemel in wat ik als privéconcertjes zie en ook nemen we de tijd voor een bezoek aan het internetcafé waar ik wat traantjes wegpink bij contact met man en kindjes. De ontspanning druipt van de dagen; opstaan wanneer je wilt, eten wanneer je wilt, beetje rondlopen, lezen, zwemmen... Heerlijk! De nachten zijn een heel ander verhaal. Bou staat bekend om zijn avonturen 's nachts en omdat ik nu bij hem op een kamer slaap krijg ik er lekker wat van mee. Ik slaap niet heel vast dus mij ontgaat niet veel en ik moet zeggen dat ik af en toe ook aardig mijn aandeel heb gehad. Bou gaat regelmatig voor de deur en als ik dan vraag wat hij doet heeft hij altijd wel een verhaal klaar (vooral niet laten merken dat je slaapt!). Er staat in zijn boek dat hij iets moet doen of hij moet iets vinden, verzin het maar. We zijn er achter gekomen dat Bou in ieder geval nog in de kamer blijft maar dat het mij ook lukt om de deur te openen terwijl ik slaap. De combi van onze onrustige slaapgewoontes maakt dat we zelfs ‘s ochtends nog even verhalen uit kunnen wisselen over wat we 's nachts hebben meegemaakt. Erg gezellig!


Tijdens een avond met live reggae muziek ontmoet ik Anja. Bou heeft haar in Jakarta ontmoet de avond voor ik kwam. We hebben een gezellige avond die eindigt op de stoep voor de supermarkt (24 uur open) omdat de cafés al redelijk vroeg de deuren sluiten. Maandag vertrekken we om 4 uur om de Borobudur bij zonsopkomst te bekijken. Een schitterende boeddhistische tempel op een even schitterende plek. Jammer dat op deze idyllische plek studenten zijn losgelaten die om half zes ‘s ochtends een interviewtje af willen nemen om hun Engels te oefenen en natuurlijk willen ze ook op de foto. Na vier hele leuke gesprekken pas ik verder voor de eer, ik wil genieten van dit moois. Bou gaat helemaal los met zijn nieuwe camera, hij kan hier lekker experimenteren. Teruggekomen hebben we verder een rustige dag en regelen we de reis naar Probolinggo van waar we de Bromo vulkaan gaan bekijken. Dat wordt een reis van 8 uur waar ik 's avonds even behoorlijk tegenop zie aangezien ik met een leuk leegloopvirus op de kamer beland.

Maar goed, de reis is warm (want die airco waar ze mee adverteren zit er altijd in maar doet het eigenlijk nooit) maar verloopt prima. Tot we in Probolinggo aankwamen waren we eigenlijk van plan om een beetje ons eigen plan te trekken en niet teveel busjes en tours te boeken. Dat lijkt echter niet het beste idee omdat we aan de voet van de Bromo vulkaan naar een soort hoteldorp gaan. We weten niet zo goed wat we daar aan gaan treffen maar wel dat het er niet goedkoop gaat zijn. We besluiten dus om toch maar wel een hotel en vervoer naar onze volgende bestemming te regelen. We komen terecht in een behoorlijk basic hotel maar kunnen bij de het buurhotel wel lekker eten. Als we daar zitten komt Anja binnengelopen. We wisten dat zij ook deze kant op ging maar ze had dat ergens anders geregeld. Anja is in het gezelschap van Duitser Chris (die Bou al kent van Sumatra en die we al tegenkwamen bij de Borobudur) en Engelsman Joe en Ierse Michelle (de laatste 2 zijn een setje). We hebben een hele leuke avond met zijn zessen en regelen ook nog een jeep om de volgende dag vanaf een viewpoint de zonsopgang te bekijken waarna we dan doorgaan naar de Bromo. Weer om vier uur uit de veren om in het donker in de jeep te stappen. Onderweg wanen we ons nog alleen op de wereld maar dat verandert als we boven, aan het eind van de weg, wel honderd jeeps geparkeerd zien staan. We bekijken, samen met een heleboel andere mensen, een mooie zonsopkomst waarmee ook een adembenemend uitzicht op de Bromo wordt onthuld. Toch wordt er toch wel wat aan de schoonheid afgedaan doordat je niet eens een beetje kunt doen alsof jij de enige bent die van dit moois geniet. Met de jeep worden we naar de voet van de vulkaan gebracht. Apart om een nog actieve vulkaan te beklimmen. Anja haar fototoestel wordt hier gepikt en ze is dolgelukkig als ze hem van ‘de eerlijke vinder' terug kan kopen voor €5,-. We gaan even terug naar het hotel voor een ontbijt waarna we in een busje stappen waarmee we naar Sempol reizen vanwaar we het Ijen plateau de volgende dag gaan bezoeken. Weer om 4 uur op en na een kort ritje door groene natuur staan we onderaan de voet van een berg die we moeten gaan beklimmen. Of we maar even 3 euro p.p. willen betalen om foto's te mogen maken. Dat weigeren deze krenterige Nederlanders natuurlijk (samen met alle andere inzittenden van het busje). Ik geef als argument dat ik ook al €2,50 heb betaald om het park binnen te komen waarop de man mij in ieder geval kan vertellen dat ik dan teveel betaald heb. Dat verbaast me niets en sterkt mij alleen maar in het besluit voor het fotograferen niet te betalen want we hebben het idee dat we in de dagen daarvoor wel vaker teveel hebben betaald. Wel grappig dat, terwijl we naar boven lopen, iedereen druk doende is te verzinnen hoe we de man kunnen foppen. Bou heeft de beste oplossing; bij de eerste illegale foto die hij maakt blijkt de batterij van zijn camera leeg (gelukkig kan hij van een busgenootje met dezelfde camera de batterij af en toe lenen)Het Ijen plateau is een vulkanisch meer met een zwavelmijn. We klimmen anderhalf uur, ik vind het pittig. Onderweg komen we mannen tegen die naar beneden lopen met twee manden op hun rug gevuld met gele stenen. Het ziet er een beetje uit als piepschuim maar als we een verlaten mand zien staan en even voelen blijkt het echt het gewicht van steen te hebben. Bovengekomen zien we een plaatje (zie foto's, is niet te beschrijven). Bou verkent een stukje alleen en maakt kennis met een hogere macht (zie foto, is voor mij al helemaal niet te beschrijven). De mannen die we onderweg tegen kwamen worden mijn helden als we zien waar ze vandaan komen en horen welk verhaal erbij hoort. Deze mannen beginnen rond middernacht bij het kratermeer met het vullen van hun manden met zwavelsteen bij het kratermeer. Ze lopen met 70 tot 90 kg op hun rug de krater uit (= pittig omhoog) en de lange steile weg naar beneden. Ze brengen de stenen naar de fabriek waar ze 5 uur over doen. Hun werkdag bestaat uit 2 keer heen en weer lopen. Ze verdienen €20 per maand en per kg die ze naar de fabriek brengen nog eens €0,60. Omgerekend betekent dat dat ze (als ze veel tillen) nog geen €1,50 per uur verdienen. Deze mannen worden gemiddeld een jaar of 40 maar als je ze op de berg tegenkomt kunnen ze wel vrolijk gedag zeggen. Mijn helden!


Na het Ijen plateau reizen we met het busje naar de ferry naar Bali. Op de boot zit ik er even flink doorheen, ik ben het onderweg zijn zat en ik ben moe. We zijn inmiddels herenigd met Anja en het idee is om naar Kuta te gaan als we op Bali aankomen. Dat betekent weer flink wat uurtjes in de bus en ik opper het idee om in de buurt even een plek te zoeken om lekker te slapen. Het wordt toch kiezen op elkaar en door naar Kuta. Bou en ik gaan tijdens het reizen even goed in de leer bij Anja over hoe je dat doet met afdingen (scheelt dat Anja hier vorig jaar ook een tijd is geweest en weet wat redelijke prijzen zijn). Maar goed, Bou heeft de smaak al snel te pakken en regelt een goedkope taxi van Denpasar naar Kuta. Daar aangekomen wordt het beeld wat we ons inmiddels over Kuta gevormd hebben heel snel bevestigd. Luidruchtige 50 jarige Amerikaanse en Australische mannen met veel te jonge Balinese vrouwen vullen het straatbeeld en de vele smalle straatjes die Kuta rijk is worden gevuld met scheurende brommertjes. Als we 's avonds iets gaan eten weten we het zeker; Kuta is het Lloret de Mar van Indonesië, we willen hier weg. Maar eerst een dag rust want dat hebben we wel even verdiend. We slapen uit en gaan ‘s middags naar het strand waar we Chris en Yo en Michelle weer tegenkomen. Erg gezellig. Bou doet zijn best op een surfboard waarvan ik eigenlijk helemaal niet weet hoe het hem verging. Ik was op het strand namelijk heel druk bezig met het van me afslaan van surfleraren, verkopers en massagedames. Rustig op het strand liggen is er in Kuta niet bij. Na wat aandringen van Anja gaan Bou en ik 's avonds mee, uit in Kuta. Eerst inzuipen in de Beergarden; van 18 tot 22 uur onbeperkt Heineken voor €5,-. Aangezien ik geen bier drink ben ik blij dat ze ook goedkope cocktails hebben. Terwijl ik mijn Mohito sip staat de rest in de rij voor hun volgende biertje. Daarna nog even club-hoppen en een dansje wagen, niet meer drinken want dan betaal je je echt scheel. We hebben een gezellige avond maar ik ben ook heel blij als we de volgende dag in de bus naar Ubud zitten. Ik slaap de hele weg (ruim een uur) maar hoor als we aankomen van Bou dat het er heel leuk uit ziet. We laten de grote rugtassen achter en zien ongeveer alle homestays in Ubud, op zoek naar het beste goedkope plekje. Aan het eind van het rondje besluiten we terug te gaan naar ongeveer de zesde homestay. We splitsen; Bou haalt de tassen en ik loop vooruit om de kamer te regelen. Al snel kom ik tot de conclusie dat ik een straat te vroeg naar links ben gegaan. In mijn beleving ligt de homestay aan het eind van de straat dus ik besluit de straat af te lopen en dan rechts, rechts te doen. Dat betekent een flinke tippel om want die homestay aan het eind van de straat ligt in werkelijkheid aan het begin van de straat. Gevolg is dat Bou met de tassen al lang en breed de kamer heeft geregeld en vervolgens maar eens gaat kijken waar ik ben. En daar ben ik, met koud bier en cola want ik ben wél langs de supermarkt gekomen :). We hebben een kamer voor €7,50 aan een leuke binnentuin, kamer met badkamer, warme douche en een wc zoals thuis én ontbijt. We zijn content.


Ubud is heerlijk! Overal huizen en homestays die eruit zien als tempels, heel ontspannen sfeertje en veel kunst. Het enige waar de bewoners druk mee lijken is offeren. Bou moet in Denpasar zijn visum verlengen en terwijl hij dat doet laat ik me drie en een half uur lang masseren en vertroetelen. Heerlijk! Ubud ligt tussen de rijstvelden en daar krijgen we ook heel wat van mee als we met onze brommertjes de omgeving verkennen. We krijgen behoorlijk wat regen te verstouwen maar met de charmante poncho's die we onderweg kopen komen we toch een heel eind. Ik rij achter Bou aan die onderweg filmt, foto's maakt en de borden leest. Ik let op de weg want ben behoorlijk panisch voor de gaten in het wegdek. Gevolg is dat ik ook nog wel eens iets moois mis waar we langs rijden. "Zag je dat?" "Nee, ik zag de weg!" We rijden naar Danau Beratan, een meer in het noorden van Bali en de Gitgit waterval die behoorlijk bruin is door de regen. We gokken een beetje hoe we moeten rijden omdat we geen gedetailleerde kaart hebben en dat lukt best aardig, maar we maken wel wat extra kilometers. We rijden in het donker terug (wat voor Bou totaal geen punt lijkt maar ook hier moet ik mijn bange poeperd weer even aan de kant zetten) en eten heel lekker bij een Warung onderweg (waar we best een bezienswaardigheid zijn). We maken ook een trip naar de Pura Tanah Lot, een tempel aan de westkust van Bali, gebouwd op een rots in zee. Ook dit is een plaatje. Wat erg leuk is is dat de Balinezen al feest vieren sinds we er zijn. Het Galungan. Wat we begrijpen is dat het een halfjaarlijks feest is waarbij de Hindu geloven dat hun goden het eiland bezoeken en er wordt van alles geofferd en veel gebeden om ze gunstig te stemmen. Bij de Tanah Lot is dat ook duidelijk te zien. Bou en ik maken een klein uitstapje naar een klif waar we de Tanah Lot van een afstandje kunnen zien en waar we heel relaxed kletsen en genieten.


Ondertussen is Bou ontdekt door de rastaman van onze homestay. Terwijl ik op de veranda zit te relaxen en Bou binnen gitaar zit te spelen en zingt komt hij even buurten. Hij vindt het goed klinken en vertelt dat hij een paar keer per week in een restaurant in Ubud speelt met zijn bandje. Bou moet ook komen spelen! Bou heeft er wel oren naar. Ik vind het ongelofelijk hoe makkelijk hij dit soort uitnodigingen aanneemt. De eerste keer dat we in het restaurant zijn blijkt de band niet te spelen omdat de zanger ziek is maar de tweede keer mag hij de pauze van de band opvullen (zo'n 25 minuten). Ik lach me inwendig paars om de nerveuze Bou die ik tegenover me zie voor dat hij op moet. Hij zit koortsachtig te bedenken wat hij kan spelen en die band lijkt maar niet aan de pauze toe te komen. Maar dan is het zover en loopt hij koelbloedig naar de kruk, hij pakt de gitaar, spreekt wat woorden tegen zijn publiek en gaat los. Ik hoor wel iets van zijn zenuwen maar hoor ook vooral de positieve reacties van de mensen om me heen, ook al kennen ze de nummers niet, ze vinden het mooi en dat is het ook! En ik zit erbij, te glimmen van trots; dat is mijn broertje die dat toch maar mooi even doet!


Na 5 dagen Ubud vertrekken we voor het laatste stukje van mijn reis naar de Gili's. Drie tropische eilandjes tussen Bali en Lombok in. Na een stukje bus en 5 uur boot komen we aan op Gili Air. Eigenlijk willen we naar Gili Meno maar omdat het laag water is kan dat niet op het moment dat we aankomen. We besluiten op Gili Air een leuk plekje te zoeken en zien dan wel of we daar blijven. We worden met paard en wagen naar onze homestay gebracht. Het ligt aan het strand maar er is geen zee te bekennen (laag water). Bou vraagt nog aan onze ‘koetsier' of er morgen wel water is. Hij verzekert ons dat dat het geval is. 's Avonds installeren we ons op een plateautje op palen op het strand, lage tafel en kussens in de rug. We bestellen een lekker sapje en een hele vis van de bbq. Op en top tropisch eiland tot...het begint te regenen. Jammer! Gelukkig hebben ze ook overdekte tafels en we genieten alsnog. De volgende morgen besluit ik vroeg op te staan om de zon op te zien komen. Wat een heerlijk moment; rust, koelte en prachtig stukje moeder aarde. Daarna maak ik Bou wakker want we gaan. Waar we gister de zee niet zagen is nu het strand nergens te bekennen, de zee komt tot aan het zandpad voor onze homestay. We moeten een flink stuk lopen om strand te hangen en daarvoor zijn we niet op zo'n eiland. Dus alsnog naar Gili Meno en ook omdat we hebben gehoord dat dat het mooiste, rustigste eiland is.


Daar aangekomen laat Bou mij en de tassen achter op een terras aan zee. Hij gaat op zoek naar een overnachtingsplekje. Als hij terugkomt is hij Anja tegengekomen. Chris, Joe en Michelle zijn er ook. Gezellig. Bou heeft low budget en dure kamers bekeken. Hij stelt voor een echt mooi plekje aan het strand te nemen en iets meer te betalen. Dat moet als je op zo'n plekje bent; lief! Voor 25 euro per nacht checken we dus in in een paradijsje (met overigens een koude douche met brak water). We lunchen met de anderen bij Warung Yaya wat onze vaste eetstek wordt. Goedkoop goed eten maar je moet er wel even op willen wachten. Nog 2 volle dagen op het strand, snorkelen, zonsondergang en 's avonds gitaar. Het is gezellig en relaxed. Bou maakt zich nog even druk over of ik niet liever in mijn eentje (of samen) op het strand had gelegen maar ik vond het goed zo, super! Tijdens een nachtelijke wandeling terug naar mijn kamer over het prachtige strand en met volle maan bel ik Ramon. Ik merk dat ik, vooral hier steeds vaker overvallen wordt door het gevoel dat ik dit graag had willen delen met Ramon, Tirza en Keo. Het wordt tijd om naar huis te gaan. Op mijn laatste volle dag in Indonesië pakken we de speedboot terug naar Bali. We reizen naar Sanur. Daar shop ik nog wat souvenirs en Bou neemt me mee naar een Mexicaans restaurantje. De volgende ochtend voel ik me goed, ik heb zin om te gaan. Als Bou (terwijl de taxi wacht) nog even ‘leaving on a jetplane' voor me speelt en zingt hou ik het niet droog. Ik heb het goed gehad, ik heb het super gehad. Ik ben heel blij dat ik dit mocht meemaken en ik ben vooral heel, heel blij dat ik dit samen met mijn broertje mocht doen. Wat een kanjer!

4 reacties | reageer

Stardom in Sumatra!

Een maand en vijftien dagen, zo lang is het geleden sinds mijn laatste verhaal, toen nog in Maleisie. Een duidelijk gevalletje 'geen bericht, goed bericht', maar ondanks mijn radiostilte laat ik jullie graag delen in de mooie en minder mooie dingen die ik de afgelopen ruime maand heb meegemaakt.

Inmiddels is zelfs mijn zus alweer veilig thuis, na een prachtige trip door Java en Bali, waar de geur van zwavel en wierook zich vereeuwigt in wat voor kleren je ook aanhebt en waar het Indonesie zoals je je dat voorstelt prettig dichtbij komt. Maar in het kader van de chronologie; eerst Sumatra!

Ondertussen heb ik al op meerdere gelegenheden mogen ontdekken dat gemiddelde Indonesische man wordt bevangen door een alles overheersende geldingsdrang wanneer hij in het bezit is van een fluitje, een lichtgevende stok waarmee verkeer geregeld kan worden, een walkie-talkie of een uniform. Bij mijn aankomst op het vliegveld van Medan word ik getackeld door de plaatselijk visum-maffia, in verscheidene combinaties voorzien van bovenstaande artikelen. Ik ben westers, dus ik zal het weten ook. Al mijn Indonesische grappen en grollen ten spijt, beland ik tijdens mijn poging een 'visum on arrival' te bemachtigen aan het bureau van een meneer met een wel heel mooi uniform. Ik houd mijn hart vast. 'Wat kom ik doen?', en belangrijker nog, 'Wanneer rot ik weer op?'. Ik probeer uit te leggen dat ik naar Australie ga, maar mijn ticket nog niet geboekt heb. Dat is een probleem, want om een visum te krijgen heb je in Indonesie een 'return ticket' nodig. 'You have to have return ticket', wordt het mantra, en dat snap ik, maar die heb ik niet. Nog een keer leg ik breed glimlachend mijn situatie uit en even waan ik mezelf een visum rijker. 'Don't forget next time.' Neee, nee, natuurlijk, mijn fout, sorry. Toch vind ik mezelf vijf minuten later achter een pc op zoek naar de goedkoopste vlucht op het www. Air Asia biedt uitkomst en voor twee tientjes vloog ik 26 mei zonder bagage, verzekering, vliegtuigvoer en belangrijker nog, zonder mezelf, van Medan naar Kuala Lumpur. Ik check bij de belangrijke meneer of dit ok is en de beste man vindt het prachtig, deponeert het referentienummer dat ik hem zojuist heb gegeven regelrecht in de prullenbak, en laat
mij mijn weg vervolgen. Oladijee.

Het komt goed uit dat ik gekozen heb voor een middagvlucht, want dit geintje heeft me twee uur
gekost en ik moet dus alsnog in het donker op zoek naar onderdak. Ik heb geen idee waar ik heen moet, dus ik raadpleeg de lonely planet, baan me een weg door een zee van vervelende
taxichauffeurs, haal mijn grote teen open aan een verloren bult asfalt, ik voel hoe het bloed mijn
slipper inloopt en ik langzaam begin te glibberen, en ik-voel-me-toch-een-partij-zielig! Ik gun
mezelf een hotel, maar beland in Angel Guesthouse. Gewoon, goedkoop, en aan een van de drukste wegen van Medan.

In het guesthouse raak ik aan de praat met een local die vertelt over de mogelijkheid om Sumatra op de motorbike te verkennen. Vol jaloezie heb ik de verhalen over motorbiketochten door Vietnam aangehoord, dus ik zie mijn kans schoon. Terwijl de local op zoek gaat naar de man die motorbikes verhuurt, vertelt Julie, de eigenaresse van Angel guesthouse, dat zij ook motorbikes verhuurt. Uiteindelijk huur ik hem bij Muhammed, een manusje van alles die veel rondloopt in Angel guesthouse, kamers laat zien, betalingen afhandelt, waardoor ik even denk mijn motorbike bij Angel gehuurd te hebben, maar als Julie me verontwaardigd vraagt waarom ik niet bij haar gehuurd heb realiseer ik me dat dat niet het geval is. Muhammed stelt een provisorisch contractje op en we spreken af dat ik de motorbike voor twee weken huur en ik geld terugkrijg in het geval dat ik eerder terugkom. Ik laat een borg achter, klim op mijn motorbike en zet koers richting Berestagi, waar ik vulkanen ga beklimmen.

De drukte van Medan is niet de goede manier om aan je fietsje te wennen en er knaagt iets aan me, aan het hele motorbike-idee, maar ik weet niet wat en besluit dat ik genoeg ervaring heb om mezelf weer heelhuids terug te krijgen.

Na ongeveer vijf uur rijden kom ik aan in Berestagi, waar afgezien van vulkanen bar weinig te
beleven valt. Op mijn eerste dag in het dorpje breng ik een bezoek aan de hotsprings. Beelden van uit de rotsen gehouwen warm water baden in een setting van jungle of vulkaanlandschap worden ruw van mijn netvlies verjaagd door de verkleinde versie van het Keerpunt dat ik aantref. Plaatselijke jeugd wordt vermaand niet te rennen, eten nog net geen patatje mayo en lijken zich prima te vermaken in het troebele water, voorzien van de kenmerkende zwavelgeur. Verder dan pootjebaden kom ik niet. Het enige leuke aan mijn bezoekje aan de hotsprings is de kennismaking met de Indonesische fascinatie voor alles wat westers en lang is. Voordat ik de hotsprings ook maar binnen ben is het alsof ik eindelijk sterrenstatus heb bereikt en heb ik een half uur durende fotoshoot met iedereen die maar op de foto wil, terwijl de volgende busladingen scholieren net in aantocht zijn. Best grappig, en ik hoef geen entree te betalen. Zelfs wanneer ik de volgende dag de top van mijn eerste vulkaan bereik en de rust van een groep Indonesische christenen heb verstoord die boven op de berg het Onze Vader zitten te bidden, word ik snel vergeven wanneer ik met de volledige parochie op de foto ben geweest.

Zo'n eerste vulkaan is trouwens best indrukwekkend, zelfs voor een kleintje als deze. De rotte eieren komen je al snel tegemoet en de zwavelwolken stomen uit de berg, alsof er iets gigantisch over staat te koken. Even heb ik nog de hoop op een enorme kolkende lavamassa als ik een blik werp in de krater van de vulkaan, maar in plaats daarvan word ik verwelkomd door teksten als 'I was here' en 'Linda & Ronnie 4EVAH', die met keien op de zandbodem van de krater zijn neergelegd. Ik heb een prachtige volzin in gedachten, maar houd het bij 'Bou' als ik merk hoe lang dat moet gaan duren.

De volgende 5 uur op mijn motorbike brengen me naar Lake Toba, waarover ik niet meer heb
gehoord dan dat het een meer is en het er prettig is. Dat eerste punt wordt me duidelijk als ik tegen de noordelijke punt van het meer aanrijd. Een uitkijkpunt hoog boven het meer geeft me een prachtig uitzicht over het meer, dat veel groter is dan ik dacht, en de omliggende bergen. De zon speelt met de kleuren van de bergen, de lucht en het meer, waardoor het lijkt alsof het water overloopt in de bergen en de bergen weer in de lucht, dus het duurt even voordat ik precies doorheb waar ik eigenlijk naar kijk.Ik ben net op tijd om de laatste ferry naar het in het meer gelegen eiland Samosir te halen, waarna ik met mijn motorbike het laatste stukje naar Tuktuk rijd. Tuktuk is een kleine puist op de wang van Samosir en ook de plek waar de meeste toeristen zich bevinden. Net als de rest van Sumatra heeft ook Tuktuk te leiden onder de gevolgen van tsunami's en andere natuurrampen, en het is rustig op het eilandje. In Liberta Guesthouse vind ik ook in deze rustige tijden een handjevol backpackers, en ik sluit aan bij de Amerikaanse Ashley en de groep die zij in Bukit Lawang heeft leren kennen, waar ik later nog naartoe ga. Als zij vertrekken loopt Nick Liberta binnen, die ik heb leren kennen in Melaka. We hadden afgesproken elkaar op Sumatra op te zoeken, maar dat hij hier nu is is puur toeval. Hij heeft de Nederlandse Deniese en Anne en de Duitse Marcus en Chris bij zich. Lake Toba
blijkt 'one of those places', waar je met de juiste mensen om je heen heerlijk kunt niksen,
memorabele avonden kunt hebben en je even kunt laten glijden in een soort 'reis-sluimerstand', om je weer met nieuwe energie te kunnen storten in het zware reizigersbestaan. Jeweetoch!

Na de ontspanning van Toba is het tijd voor inspanning in Bukit Lawang, de plek van het Gunung Leuser National Park en een heleboel wildlife, waaronder orang oetans. Veel beesten heb ik tijdens mijn vorige trekkings niet gezien, maar in Bukit Lawang schijnt er geen ontkomen aan te zijn.

Ik rijd vanaf Toba eerst terug naar Medan, want ondanks het feit dat de motorbike een fantastische manier is om Sumatra in me op te nemen heb ik alle posities op mijn zadel uitgeput, begint mijn backpack erg zwaar te worden en is de term 'randdebiel' zo vaak door mijn hoofd geschoten dat ik het wel weer prettig vind om iemand anders achter het stuur te hebben. Ik drop de motorbike bij Angel Guesthouse en vertel Muhammed dat ik met de bus naar Bukit Lawang ga en dat ik mijn borg terug wil hebben. Dat is een probleem. Muhammed heeft mij namelijk de motorbike van iemand anders uitgeleend en die heeft mijn geld gebruikt om eten van te kopen voor zijn 'big family'. Ik snap niet dat mijn geld niet gewoon rustig op mijn terugkomst heeft liggen wachten en laat weten 'not amused' te zijn. We spreken af dat Muhammed mijn geld heeft als ik terugkom uit Bukit Lawang. Even denk ik dat ik een kerk hoor, maar het kunnen ook andere bellen zijn.

In een stampvolle bus vertrek ik richting Bukit Lawang en nadat mijn stampvolle bus ook nog eens is gestopt om een complete schoolklas op het dak te binden kom ik aan in het bergdorpje. Bukit Lawang strekt zich uit langs de oever van een bergrivier, bestaat uit houten huisjes en een hoop guesthouses, omgeven door jungle. Dat alles van hout is blijkt al snel ook nadelen te hebben, als ik langs een stuk van het dorp loop dat twee dagen daarvoor is platgebrand. Afgezien van een enkel Indonesisch toilet is er niets over van de 18 huizen, winkeltjes en guesthouses, in de resten waarvan de eigenaars nog zoeken naar ook maar het minst bruikbare. Als ik bij mijn guesthouse aankom zitten er een aantal jongens al druk gitaar te spelen, en ik ontkom er niet aan om nog voordat ik een kamer heb weten te vinden een deuntje met ze mee te doen. Een van de jongens vertelt dat er twee dagen later een optreden zal zijn in het dorp, om geld op te halen voor de slachtoffers van de brand. Hij vraagt of ik ook wil spelen en of ik die dag met zijn band mee wil oefenen. Ik heb geen idee wat me te wachten staat, maar omdat ik nou eenmaal ook 'graag eens wat terugdoe' sla ik de mogelijkheid tot mijn eerste benefietconcert natuurlijk niet af.

Bukit Lawang is dus de plek van de orang oetans, en hoewel het eigenlijk de bedoeling is dat je daarvoor de jungle in gaat, heb ik geluk en zit er vlak na mijn aankomst een moeder orang oetan met haar kleintje aan de overkant van de rivier. Vanaf mijn balkonnetje kan ik het kleintje met het water zien spelen en van dichtbij wordt het prachtige beest nog indrukwekkender.
De volgende dag dan toch het echte werk. Met vier andere Hollandse heren, Brian, Martin, Gus en Errol trek ik de jungle in en al snel wordt het steil, nat en zweterig, maar ook komen we al snel de eerste apen tegen. Wat eerst nog slechts een oranje vlek hoog in een boom is wordt later op de dag een close encounter met een mama die ons iets te dichtbij vindt komen en ons even laat weten dat er toch nog steeds niet met haar te sollen valt door in haar eentje een man of tien struikelend en vallend de berg op te jagen, terwijl de volgende orang oetan bijna handjes komt geven. Ook de hip geknipte thomasi monkeys komen graag een banaantje halen en met wat geluk zien we een groep zwarte gibbons, die met hun typische 'hands up' loopje aardig op de lachspieren werken. Uitgeknepen en met een hernieuwd respect voor Bear Grylls komen we aan bij het kamp waar verschillende groepen zich verzamelen om de nacht door te brengen. Een waterval is precies wat ik nodig heb en de avond wordt doorgebracht met melige spelletjes, met schitterende geluiden ter ondersteuning. Ter illustratie:

- DINGDENGDINGDENGDINGDENGDINGDENG JACK!
   DINGDENGDINGDENGDINGDENGDINGDENG KING!
-LADIDA, LADIDA, LADIDADIDADIDA!
-THIS IS A CUP. A WHAT? A CUP. A WHAT? A CUP. OOOH, A CUP!

De waterval is ook de ideale wake up call, al duurt het niet lang voordat de volgende dag het zweet weer langs mijn gezicht gutst. Gelukkig blijft het lopen de tweede dag beperkt en wordt de laatste etappe tubend afgelegd. Zonder ropeswings of barretjes aan de oever dit keer.

's Avonds loop ik met twee van de Hollanders uit mijn trekkinggroep langs de rivier, als ik van de overkant ineens een hoop geschreeuw hoor. 'Bo! Boe!Beè!' Buitenlanders hebben nog wel eens moeite met mijn naam, dus ik ben blij als Deniese het geschreeuw van Chris overneemt en een volwaardig 'Boudewijn!' naar de overkant slingert. Chris, Deniese en Anne zijn ook in Bukit Lawang beland, en samen met de vier Hollanders van de trekking en twee Canadese dames, Victoria en Joanie, nemen we een kijkje bij het dorpsconcert, dat al begonnen is en waar ik mijn opwachting zou moeten maken. Het duurt niet lang voordat ik gespot word door de local van het guesthouse, en vol enthousiasme roept hij Baru op het podium te betreden. Baru, ja. Afhankelijk van intonatie betekent 'Bou' in Indonesie namelijk of 'smelly' of 'ugly' en kan dus meer dan eens op een proestende lach of scheef gezicht rekenen, waardoor mijn Indonesische vriend besluit me om te dopen tot Baru. Een artiestennaam! De westerse groep schreeuwt en joelt bij alles wat ik maar gekweeld zou hebben en ook de locals weten zoals bekend 'Wish you were here' altijd te waarderen. Om middernacht zet ik als 'piece de resisitance' nog een 'Happy Birthday' in voor de jarige Brian en het wordt wederom een mooie avond die wordt afgesloten in de plaatselijke dixo. De volgende dag ben ik blij dat ik mijn hoofdpijn niet twee dagen lang door de jungle hoef te slepen en heb ik medelijden met de vrinden uit Toba, die dat wel moeten.

Voor mij is het wachten op mijn vlucht naar Jakarta, waar ik Simone op ga pikken, en omdat het in Bukit Lawang net even wat prettiger toeven is dan in Medan, doe ik nog even lekker twee dagen niks in dit heerlijke plekje.

Met tegenzin vertrek ik weer naar het deprimerende Medan, waar ik gelukkig maar een nacht hoef te blijven en waar ik alleen nog mijn borg terug hoef te halen. 'Alleen maar mijn borg terughalen...', galmde het na in zijn gedachten. Daar gaan we.

Ik verpest weer veel te veel tijd met zoeken naar een behoorlijke plek om te slapen, en kom uiteindelijk terecht in Residence Hotel, aan de achterkant van het gebouw waar ook Angel Guesthouse in zit, waar ik tijdens mijn eerste stop verbleef. Als ik op weg naar mijn hotel langs Angel loop kom ik Muhammed tegen. Hij lijkt blij me te zien en heeft goed nieuws. Hij heeft de eigenaar van de motorbike gesproken en ervoor gezorgd dat ik de volgende dag om 15.00u mijn geld terugkrijg. Ik vertel hem dat dat helemaal niet zo mooi is, omdat ik de volgende om 10.00u op het vliegveld moet zijn voor mijn vlucht naar Jakarta. 'Oooh, why you leave so early?', is de reactie van Muhammed, en ik vertel hem luchtig dat dat er geen reet mee te maken heeft en dat ik die avond nog mijn geld terug wil hebben. Een moeilijk blik, gezucht, gesteun. Dat ik eerst maar even mijn spullen naar mijn kamer moet brengen en een douche neem. Prima.

Om een uur of 22.00u kom ik terug bij Angel Guesthouse. Muhammed is weg. In de hoop dat hij druk bezig is mijn geld te verzamelen neem ik plaats aan een tafeltje en besluit op hem te wachten. Na een paar minuten komt Julie, de eigenaresse van Angel, tegenover me aan tafel zitten. Ze kijkt lichtelijk bezorgd. Ze weet dat ik de motorbike bij Muhammed heb gehuurd, weet dat ik hem een borg heb gegeven en weet dat Muhammed niet over de brug komt. Ze doet me een (dan nog) raar voorstel. Ze wil me 500.000 roepiah van haar eigen geld geven, om het hele gedoe met Muhammed te laten voor wat het is. Als ik haar verbaasd vraag waarom, worden de zorgen in haar ogen alleen maar groter. 'I don't like. I think there's problem.', is het enige wat ze wil zeggen. Dan laat ik haar het contract zien dat Muhammed heeft opgesteld voor de huur. Ik zie haar langzaam boos worden en de tranen wellen op in haar ogen; het contract is opgemaakt op papier van haar bedrijf, terwijl zij niets met de huur te maken heeft. Nu ziet ze een westerling in de problemen en is doodsbang voor een slechte naam. Ze pakt haar telefoon en valt gigantisch uit naar iemand aan de andere kant, waarvan ze zegt dat het een vriend van Muhammed is, maar ik weet heel goed dat het hem zelf is. Ik vertel haar dat ik niet van plan ben om haar geld aan te nemen omdat Muhammed mij mijn geld niet geeft. Ik stel voor dat ik Muhammed op ga zoeken in een ander hotel waarvan ik weet dat hij er vaak te vinden is en dat ik pas over haar voorstel na zal denken als ik hem daar niet vind. Met tegenzin stemt ze in.

Hotel Zakia ken ik nog van mijn eerste zoektocht naar accomodatie in Medan. Dat die tocht daar toen niet eindigde kwam doordat het donker en vies was en de medebezoekers voornamelijk
bestonden uit westerse mannen die voor hun kamer zaten te wachten op iets dat komen zou, en waarschijnlijk veel te jong zou zijn. Wanneer ik nu aankom is er niet veel veranderd. Het is er stil en donker. Buiten het hotel zit iemand op een bankje een krant te lezen en achter de receptie is een man in het kille licht van een spaarlamp (Indonesiers zijn dol op spaarlampen. Gezelligheid alom!) druk bezig met een rekenmachine en iets wat lijkt op de administratie. Muhammed lijkt er niet te zijn en de man achter de receptie lijkt hem niet te kennen. Net als ik weg wil gaan hoor ik wat gestommel uit een kamertje achter me. 'Bo, Bo, I'm here. Come in.' Het kamertje heeft geen ramen en een hor als deur. Door de hor zie ik Muhammed slaperig z'n achterhoofd krabben, terwijl hij me nog een keer zegt binnen te komen. Ik heb helemaal geen zin dat donkere hok binnen te gaan, maar doe het toch. Het kamertje lijkt een soort opslaghok. In de hoek staat een verzameling kapotte ventilatoren, er staat een stoel en er ligt een matras op de grond, waar Muhammed op lag te slapen. Het enige licht in het kamertje is het TL-licht van de gang, dat door de hor naar binnen valt. Ik ga zitten op het stoeltje en Muhammed neemt plaats op de rand van het matras. Nou heb ik in Bukit Lawang zoals gezegd als de nodige apen gezien, maar Muhammed tovert ook nog een mooie uit zijn mouw. Hij heeft het geld dat ik hem heb gegeven gebruikt om drugs van te kopen. Alsof het niets kost bevind ik me ineens midden in een drugsdeal in een van de laatste landen op aarde waar ik dat zou willen (even los van het feit dat ik dat uberhaupt nergens zou willen). Muhammed vertelt dat hij bezig is het spul te verkopen, en dat hij verwacht de volgende dag om 15.00u het geld terug te hebben. Met stomheid geslagen luister ik hoe Muhammed me aanbiedingen doet om dan maar drugs van hem over te nemen. Maak ik misschien nog wel winst ook! Nou was ik al niet blij met Muhammed, maar als ik m'n gedachten weer een beetje op een rij heb ontplof ik zo'n beetje over hoe hij het in zijn hoofd haalt me zoiets te flikken. Verkeerde aanpak...Muhammed staat op en pas nu hij zo dichtbij is zie ik dat zijn ogen niet alleen rood zijn van de slaap, maar dat hij waarschijnlijk ook al van 'mijn' drugs heeft gesnoept. 'I'm not scared of you! What you want to do? Rough me up!?' Hij is ontzettend boos dat ik hem zo gepusht heb om het geld op tijd te hebben, dat ik Julie erover heb verteld en dreigt naar de politie te gaan en te zeggen dat ik hem het geld gegeven heb om drugs van te kopen. Dat die vlieger niet op zal gaan heeft hij zelf ook snel door, dus weer terug naar blinde woede. En hoe. 'I'm not scared of you! I'm not scared of trouble! I am Mr. Trouble! This is my house and I will kill you before you leave!' Niet bepaald waar ik op zat te wachten (kan ik nu luchtig zeggen...). Ik probeer hem aan z'n verstand te krijgen dat hij voor mij niet bang hoeft te zijn, zelfs als is het maar een klein mannetje en zou ik ondertussen maar wat graag z^n kop van z'n romp draaien. Excusezlemot. Mijn boze aanpak werpt dus geen vruchten af, dus ik probeer hem wat te kalmeren. Deze kat in het nauw maakt al rare sprongen als ik niet twee koppen boven hem uitsteek, dus ik blijf rustig zitten terwijl Muhammed voor mijn neus staat te razen en wacht tot hij weer wat gekalmeerd is en weer op de rand van het matras gaat zitten. Als in een slechte maffiafilm blijft ie maar jammeren dat hij meer tijd nodig heeft, en ik blijf maar zeggen dat ik die niet heb (waar ik hem in de film nu dan waarschijnlijk genadeloos een kopje kleiner maak). Dan staat er ineens een andere man voor de deur van het kamertje, en het enige wat Muhammed zegt is: 'O boy, now we're both in so much trouble...' Een instemmend 'Ooh, no.' klinkt van de andere kant en de man komt de kamer binnen. Ik houd mijn hart vast terwijl de man naast Muhammed op het matras gaat zitten, me afvragend welk lokaal kopstuk zojuist de kamer is binnen gekomen. In plaats van Al Pacino blijkt de man gelukkig meer een bemiddelaar te zijn. Hij legt nog een keer uit dat er meer tijd nodig is en ik leg nog een keer uit dat ik die niet heb. Ondertussen is Muhammed opgestaan en het kamertje uitgegaan, welk voorbeeld ik maar al te graag volg. Muhammed ijsbeert wat heen en weer terwijl ik met de nieuwe man praat. Deze oppert zelfs dat Muhammed mij het resterende geld via Western Union stuurt. Ik heb inmiddels al prima door dat ik mijn geld die avond niet meer ga krijgen en weet ook dat Muhammed mij helemaal niks meer stuurt nadat ik ben verdwenen, maar ik ben op het punt dat ik liever zonder geld wegkom dan dat ik ruzie ga maken met iemand die niet voor reden vatbaar en onder invloed is. Ondertussen is Muhammed druk aan het bellen, wat me helemaal niet zint, maar hij is ontzettend boos, wat me doet vermoeden dat hij met Julie belt. Hij hangt op, stormt naar buiten en weet me vanaf zijn motorbike nog net toe te schreeuwen dat hij naar Angel gaat om zijn salaris op te halen. Dat salaris is al eerder ter sprake gekomen en is het geld dat Muhammed verdient met wat het ook is dat hij doet in Angel Guesthouse. Ik blijf achter in Zakia, maar zou liever naar Angel gaan om te kijken of daar alles goed gaat.

Het duurt niet lang voordat Muhammed weer terug is. Hij loopt langs me heen naar de binnenplaats aan de achterkant van het hotel, die nog slechter verlicht is dan de rest van het verblijf, en roept me naar zich toe. Ik roep terug dat als hij me het geld wil geven, dat ook wel gewoon aan de voorkant kan, maar hij blijft aandringen en ook de nieuwe man zegt me dat ik maar naar hem toe moet gaan. Ik weet niet wat er zojuist in Angel Guesthouse is gebeurd, maar als ik achterin het hotel bij Muhammed kom zie ik dat hij nog meer overstuur is dan hij al was. Zijn ogen zijn rood en het lijkt alsof hij huilt. Hij zit aan een tafeltje en ik ga tegenover hem zitten. Hij legt het geld dat hij gehaald heeft tussen ons in op tafel en begint half huilend tegen me te schreeuwen. 'Why did you do this!? Why did you destroy everything?!' Hij kletst uit zijn nek, natuurlijk, maar hij is niet degene die ik in zijn huidige status met mij als doelwit uit zijn nek wil hebben kletsen. Hij geeft mij de schuld van alles, dat hij niet meer bij Angel Guesthouse hoeft terug te komen en hoe hij nu voor zijn kinderen moet zorgen. Dat hij daar over na had moeten denken voordat hij mijn geld gebruikte om drugs van te kopen houd ik maar even voor me, want hij is de wanhoop duidelijk nabij en heeft een houding die niet bepaald neutraal is. Hij zit op zijn knieen op zijn stoel, voorover gebogen over de tafel en heeft zijn hand afwisselend achter zijn rug en in zijn zak. Ik hoor amper wat hij me allemaal zegt en kijk alleen maar naar wat hij doet, en belangrijker, wat hij zou kunnen doen. M'n oren suizen, letterlijk, en de spanning giert door mijn lijf, tot ik ineens wel weer iets oppik. 'Why do you make me do this!?' Ik heb helemaal geen zin om af te wachten wat 'this' is, dus ik zeg hem dat hij het geld kan houden en zet het op een lopen naar de uitgang. Muhammed komt achter me aan en doet bij de uitgang van het hotel nog een poging mij alsnog het geld toe te stoppen. Ik neem het aan, maar dan grijpt hij me bij mijn arm, terwijl hij weer met zijn andere hand achter zijn rug zit. Ik trek mijn arm los en ren het hotel uit, de aandacht trekkend van de man die buiten zijn krantje zat te lezen. Hij komt achter me aan en weet me net buiten het hotel te onderscheppen en wat te kalmeren. Muhammed is ondertussen apart genomen door de nieuwe man uit de kamer en in een laatste bemiddelingspoging worden we nog een keer bij elkaar aan tafel gezet, met de twee heren erbij, dat wel. In een klein resume wordt nog maar een keer besloten dat het geld er niet op tijd gaat komen, worden de gegevens opgenomen om het resterende geld via Western Union te sturen en krijg ik van Muhammed toch nog een deel van het geld dat hij bij Angel heeft gehaald, maar ik heb totaal geen zin om te vragen om de rest van het geld. Ik wil weg, snel. Op verzoek van de andere heren schudden we elkaar zelfs nog de hand, waarna ik vertrek naar mijn eigen hotel, blij dat dit geintje me alleen maar geld heeft gekost. Een onrustige nacht volgt, waarin ik voor het eerst voordeel heb van het feit dat ik slaapwandel, want de volgende ochtend is mijn tas gepakt...

Enigszins uit het lood stap ik de volgende ochtend op het vliegtuig naar Jakarta. Ik vind het ontzettend jammer dat ik Sumatra verlaat, maar ben dolblij dat ik weg ben uit Medan. Officieel het meest klotige gat waar ik ooit ben geweest. Medan is voor mij om logische redenen een smet op Sumatra, en belichaamt de eerste en enige keer dat ik me onveilig heb gevoeld tijdens mijn reizen. Sumatra is werkelijk een prachtig eiland dat totaal onterecht uit de gratie is bij toeristen (onterecht doch begrijpelijk, want ook tijdens mijn verblijf in Bukit Lawang was er weer een aardbeving in het noordelijke Bandah Aceh), wat het aan de andere kant ook weer heel prettig maakt om er rustig doorheen te reizen.

Na Medan is Jakarta een verademing, hoewel ook Jakarta een plek is om snel weer te verlaten. Ik pik Simone op van het vliegveld en we maken ons op voor, wat ik zeker weet en nu ook kan
bevestigen, 3 geweldige weken. Bedankt zusje!

Er is nog een hoop gebeurd tussen Jakarta en nu, waarvan snel verslag. Bali zit er inmiddels al weer bijna op. De pijlen gaan richting Australie, met de mogelijkheid om eerst Flores nog te bezoeken. Keuzes! Na een fantastische tijd op Sumatra, Java en Bali kan ik niet anders zeggen dan dat het heel goed gaat en dat ik met gemengde gevoelens uitkijk naar Autralie, wat ongetwijfeld andere koek zal worden. Tegelijkertijd is Australie een soort droom die uitkomt en ben ik heel erg benieuwd wat het zal brengen. Ik heb er zin in!

Tot slot nog een bak foto's en een kleine illustratie van Sumatra in de vorm van een filmpje!

Tot snel!

9 reacties | reageer

Volgende pagina »

Laatste reacties

Meer reacties

Blijf op de hoogte!

Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.

E-mail adres: